ECLI:NL:RBLIM:2015:4918

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 april 2015
Publicatiedatum
11 juni 2015
Zaaknummer
C/03/203814 / JE RK 15-618
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265a BWArt. 1:265b BWArt. 28 lid 2 sub b Overgangswet nieuw BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige bij vader

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de rechtbank om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling. De minderjarige verblijft sinds 1 februari 2015 bij de vader en staat sinds 1 maart 2015 bij hem ingeschreven. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit en communiceren goed met elkaar.

De moeder betwijfelt of het in het belang van de minderjarige is dat hij definitief bij de vader blijft wonen, maar stemt in met het verblijf gedurende de ondertoezichtstelling. De minderjarige heeft schriftelijk aangegeven het fijn te vinden bij zijn vader. De kinderrechter overweegt dat op grond van de toepasselijke wetgeving een machtiging tot uithuisplaatsing niet noodzakelijk is zolang de ouder instemt en de ondertoezichtstelling nog niet is verlengd.

Gezien de vrijwillige instemming van de moeder en het belang van de minderjarige acht de kinderrechter het verzoek tot machtiging niet noodzakelijk en wijst het af. De ouders zijn bereid samen met de gezinsvoogd te bekijken wat op termijn het beste is voor de minderjarige. Het verblijf bij de vader wordt voor de resterende termijn van de ondertoezichtstelling voldoende gewaarborgd.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen omdat de minderjarige op vrijwillige basis bij de vader kan verblijven met instemming van de moeder.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK LIMBURG
Familie en jeugd
Zittingsplaats: Maastricht
zaakgegevens : C/03/203814 / JE RK 15-618
datum uitspraak: 24 april 2015
beschikking machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg,hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Roermond,
betreffende
[minderjarige], hierna te noemen: [minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [2003].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[belanghebbende],hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats],
advocaat mr. K.G.J. Verbong, kantoorhoudende te Hoensbroek, gemeente Heerlen.
[belanghebbende],hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats].

1.Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift tot machtiging uithuisplaatsing met bijlagen van de GI van 18 maart 2015, ingekomen bij de griffie op 19 maart 2015;
- het verweerschrift met bijlagen van de moeder van 2 april 2015, ingekomen bij de griffie op 2 april 2015.
- de brief van de minderjarige, ingekomen bij de griffie op 15 april 2015.
Op 3 april 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de moeder,
- de vader,
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

[minderjarige] is geboren uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de ouders. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige]. [minderjarige] verblijft bij de vader sinds 1 februari 2015.
[minderjarige] staat sinds 29 juni 2012 onder toezicht van de GI.
Bij beschikking van 19 juni 2014 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd tot
29 juni 2015.

3.Het verzoek

De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 29 juni 2015. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI verwezen naar de bij het verzoek gevoegde motivering en rapportage.

4.Het standpunt van belanghebbenden

4.1.
De GI heeft ter zitting gepersisteerd bij het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] en het navolgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd. [minderjarige] krijgt bij de vader de rust en aandacht die hij nodig heeft en het gaat goed met hem. Een machtiging is noodzakelijk om zijn verblijf bij de vader te garanderen. De moeder kan immers nu instemmen met de uithuisplaatsing, maar heeft haar twijfels geuit en wenst [minderjarige] in de (nabije) toekomst weer zelf thuis op te voeden.
4.2.
De moeder heeft ter zitting verweer gevoerd tegen de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij heeft desgevraagd echter wel ingestemd met het verblijf van [minderjarige] bij de vader gedurende de ondertoezichtstelling. De moeder geeft aan dat zij respecteert dat [minderjarige] thans voor zijn rust bij de vader verblijft. Zij betwijfelt echter of het in Ians belang is dat hij definitief bij de vader blijft wonen.
4.3.
De vader heeft ter zitting ingestemd met het verzoek.
4.4.
De kinderrechter heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft schriftelijk laten weten dat hij het fijn heeft bij zijn vader.

5.De beoordeling

Op grond van artikel 1:265a van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW), zoals dit sinds
1 januari 2015 luidt, geschiedt plaatsing van de minderjarige buiten het gezin uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing.
Op grond van artikel 28, lid 2 sub b, van de Overgangswet nieuw BW geldt voor de uithuisplaatsing van een minderjarige, die onder toezicht is gesteld, het vereiste van artikel 1:265a BW pas vanaf het moment dat de ondertoezichtstelling voor het eerst verlengd wordt.
Nu de ondertoezichtstelling van [minderjarige] na 1 januari 2015 nog niet is verlengd, geldt in een geval als het onderhavige, waarin de ouder in feite instemt met de uithuisplaatsing, voormeld artikel 1:265a BW derhalve niet en is uithuisplaatsing op vrijwillige basis niet uitgesloten.
Op grond van artikel 1: 265b BW kan de kinderrechter de GI op haar verzoek machtigen de minderjarige uit huis te plaatsen indien dit, voor zover hier van belang, noodzakelijk is in het belang van de verzorging of opvoeding van de minderjarige.
Uit de ingediende stukken en de verklaringen ter zitting is gebleken dat [minderjarige] sinds de echtscheiding in 2009 in het gezin van de moeder heeft gewoond, maar dat hij sinds 1 februari 2015 bij de vader verblijft en sinds 1 maart 2015 bij de vader staat ingeschreven.
Verder is gebleken dat beide ouders goed met elkaar communiceren en dat zij in onderling overleg zaken over [minderjarige] en over de andere kinderen kunnen regelen.
De ouders zijn het met de GI eens dat het in het belang van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] noodzakelijk is dat hij op dit moment bij de vader verblijft, omdat de gezinssituatie bij de moeder thuis erg onrustig is. De moeder heeft ter zitting expliciet aangegeven dat zij bereid is [minderjarige] bij de vader te laten verblijven voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling.
Met de ouders en de GI acht de kinderrechter het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk dat hij op dit moment bij de vader verblijft.
Het verblijf van [minderjarige] bij de vader voor de resterende termijn van de ondertoezichtstelling acht de kinderrechter voldoende gewaarborgd door voormelde toezegging van de moeder.
Nu [minderjarige] op vrijwillige basis bij de vader kan verblijven, is een machtiging tot uithuisplaatsing thans niet noodzakelijk en zal het verzoek van de GI daarom worden afgewezen.
Daar waar de GI en de vader menen dat het verblijf van [minderjarige] bij de vader definitief is, stelt de moeder zich op het standpunt dat zij over enige tijd de zorg over [minderjarige] weer op zich kan nemen en dat het dan in zijn belang is dat hij weer bij haar komt wonen.
Ter zitting hebben de ouders desgevraagd aangegeven dat zij bereid zijn samen met de gezinsvoogd te bekijken welke plek op termijn het meest in het belang van [minderjarige] is.
De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat de ouders, zoals zij ter zitting hebben aangegeven, hun verantwoordelijkheid nemen en in de resterende periode van de ondertoezichtstelling trachten tot overeenstemming te komen over het hoofdverblijf van [minderjarige].

6.6. De beslissing

De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2015.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch