Een werkneemster vorderde in kort geding betaling van achterstallige reiskostenvergoeding van haar werkgever, een schoonmaakbedrijf. Zij stelde dat zij sinds mei 2014 geen vergoeding meer ontving terwijl zij op verzoek van haar werkgever was overgeplaatst naar een verder gelegen locatie. De werkgever betwistte dit en stelde dat de afstand minder dan 60 kilometer bedroeg, waardoor geen volledige vergoeding verschuldigd zou zijn.
De kantonrechter oordeelde dat de werkneemster geen spoedeisend belang had bij haar vordering. Zij had immers pas in februari 2015 schriftelijk aanspraak gemaakt, terwijl zij al sinds mei 2014 geen vergoeding ontving, en de gevorderde bedragen waren relatief gering. Daarnaast was onvoldoende zekerheid dat zij in een bodemprocedure haar vordering zou winnen, mede omdat de afstand door de werkgever was onderbouwd en de overplaatsing betwist werd.
Daarom werd de werkneemster niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.