Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding van 21 juli 2015.
- de mondelinge behandeling van 23 juli 2015,
- de pleitnota van Servatius.
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een executiegeschil over de ontruiming van een huurwoning. Bij een eerder vonnis van 25 juni 2015 is eiser veroordeeld tot ontruiming van zijn woning binnen veertien dagen na betekening. Eiser verzoekt om schorsing van dit vonnis omdat hij meent dat het vonnis berust op feitelijke misslagen en dat hij door de ontruiming in een noodtoestand zal geraken.
De kantonrechter overweegt dat schorsing alleen mogelijk is als het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of als ontruiming leidt tot een noodtoestand die niet kan worden aanvaard. Eiser stelt dat hij geen onderhuurder had en dat de muurdoorbraak niet door hem maar door zijn rechtsvoorganger is gerealiseerd. Echter, hij brengt geen nieuw bewijs dat deze feiten anders doen lijken dan eerder vastgesteld. De kantonrechter oordeelt dat het vonnis niet op een misslag berust.
Verder is geen sprake van een acute noodtoestand, omdat eiser voldoende tijd heeft gehad om maatregelen te treffen en de ontruimingstermijn van veertien dagen hem daartoe gelegenheid bood. De vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de ontruiming wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.