Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
2 [verweerder sub 2],
3 [verweerder sub 3],
4 [verweerder sub 4],
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen;
- het verweerschrift;
- de mondelinge behandeling.
Rechtbank Limburg
Op 16 september 2000 liep verzoeker, toen acht jaar oud, gebitsschade op door een onrechtmatige daad van een zesjarige. De aansprakelijkheidsverzekeraar erkende in februari 2001 de aansprakelijkheid, waarna de verjaring werd gestuit en een nieuwe termijn begon. Verzoeker stelde dat de vordering niet verjaard was vanwege zijn minderjarigheid en erkenning van aansprakelijkheid.
De rechtbank oordeelde dat de nieuwe verjaringsregel voor minderjarigen niet van toepassing was vanwege het overgangsrecht en dat de verjaringstermijn op 13 februari 2001 begon. Er was geen grond om de verjaring op basis van redelijkheid en billijkheid te verlengen, mede omdat de ouders als wettelijke vertegenwoordigers op de hoogte waren van de schade en de gevolgen.
De rechtbank verwierp het beroep op verjaring niet en wees het verzoek af. Wel werden de proceskosten aan verzoeker toegekend omdat de procedure niet onnodig was. De beslissing werd uitgesproken door rechter J.F.W. Huinen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de vordering van verzoeker verjaard en wijst het verzoek af.