De rechtbank Limburg behandelde op 25 september 2015 de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van twee gewapende overvallen in Kerkrade. Feit 1 betrof een poging tot gewapende overval op een cafetaria, en feit 2 een voltooide gewapende overval op een andere cafetaria.
De officier van justitie vorderde bewezenverklaring van feit 1, gebaseerd op aangiftes, een aangetroffen rugzak die leek op die van een dader op camerabeelden, en een getuigenverklaring. Voor feit 2 werd vrijspraak gevorderd wegens onvoldoende bewijs. De verdediging betoogde dat de getuigenverklaring onbetrouwbaar was, de kleding van verdachte niet overeenkwam met die van de dader, en de rugzak niet uniek was.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om tot een veroordeling te komen. De verklaring van de getuige was vaag en niet consistent met aangiftes, en de rugzak was niet voldoende belastend. Voor feit 2 was eveneens onvoldoende bewijs aanwezig. De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun schadevorderingen vanwege de vrijspraak.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van beide feiten wegens onvoldoende bewijs en wees de vorderingen van de benadeelde partijen af.