Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
ruimtevoor haar en haar twee kinderen.
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een kort geding waarin een vrouw vordert dat haar voormalige partner de gezamenlijke huurwoning binnen drie dagen ontruimt en dat zij als enige huurster wordt erkend. De huurovereenkomst is gesloten met de verhuurder en beide partijen als huurders, hoewel alleen de vrouw de overeenkomst heeft ondertekend. De relatie tussen partijen is beëindigd en de vrouw is met haar twee kinderen vertrokken vanwege spanningen, terwijl de partner alleen in de woning achterbleef.
De vrouw stelt dat de partner zonder recht of titel in de woning verblijft omdat hij de huurovereenkomst niet heeft ondertekend. De kantonrechter oordeelt echter dat de partner medehuurder is op grond van de gezamenlijke aanvang van de huurovereenkomst en het feit dat hij de huur heeft betaald. De vrouw kan niet op grond van de relatie of andere wettelijke bepalingen afdwingen dat zij de enige huurder wordt.
De kantonrechter wijst de vorderingen af omdat er geen wettelijke grondslag is om de partner uit de woning te zetten. Ook een belangenafweging wordt niet gemaakt omdat daartoe geen grondslag bestaat. De vrouw wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de partner.
Uitkomst: De vorderingen tot ontruiming en exclusief huurderschap worden afgewezen omdat de partner medehuurder is.