AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot ontslag bewindvoerder in wettelijke schuldsaneringsregeling
Verzoeker heeft bij de rechtbank Limburg een verzoek ingediend tot ontslag van de bewindvoerder in zijn wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP), stellende dat het Vrij Te Laten Bedrag (VTLB) onjuist is vastgesteld en dat de bewindvoerder onvoldoende communiceert, waardoor het vertrouwen verloren is gegaan.
De bewindvoerder heeft betoogd haar taken correct uit te voeren en dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat wijzigingen in inkomen en huur daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. De rechter-commissaris heeft eveneens geadviseerd dat er geen aanleiding is voor ontslag.
De rechtbank oordeelt dat de bewindvoerder zich als een redelijk en bekwaam handelend persoon binnen de wettelijke kaders heeft gedragen. De berekening van het VTLB is volgens de meest recente normen uitgevoerd en er is geen bewijs van fouten. De relatie tussen bewindvoerder en schuldenaar is zakelijk en beperkt tot wettelijke verplichtingen.
De rechtbank benadrukt dat klachten over de bewindvoerder eerst bij de rechter-commissaris moeten worden ingediend alvorens een verzoek tot ontslag ex artikel 319 FwPro wordt gedaan. Het verzoek wordt daarom afgewezen wegens onvoldoende grond en motivatie.
Uitkomst: Het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder wordt afgewezen wegens onvoldoende gegrondheid.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rekestnummer: C/03/212940 / HA RK 15-241
Beschikking van 12 februari 2016
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. P.F.M. Gulickx te Breda
en
[naam bewindvoerder] (bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling van verzoeker),
gevestigd te Maastricht,
belanghebbende.
1.De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen, zoals ontvangen op 18 december 2015,
het advies van de rechter-commissaris mr. M.M.T. Coenegracht (hierna: de RC), zoals ontvangen op 14 januari 2016,
de brieven met nadere producties van mr. Gulickx, zoals ontvangen op 29 januari 2016 en 1 februari 2016,
de mondelinge behandeling op 2 februari 2016.
Ter zitting zijn verschenen: - verzoeker, bijgestaan door mr. Gulickx;
- [naam bewindvoerder] in persoon.
2.De feiten
Bij vonnis van deze rechtbank van 22 juli 2014 is op verzoekster de Wet schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard, met benoeming van mr. M.M.T. Coenegracht tot rechter-commissaris en aanstelling van [naam bewindvoerder] tot bewindvoerder onder toekenning van insolventienummer C/03/14/523 R.
3.De beoordeling
3.1.
Het verzoek strekt tot ontslag van [naam bewindvoerder] als bewindvoerder. Als onderbouwing voor het verzoek wordt – kort gezegd – aangevoerd dat verzoeker zich niet kan vinden in de ingangsdatum van de boedelbijdrage, dat het Vrij Te Laten Bedrag (VTLB) niet correct is vastgesteld en dat [naam bewindvoerder] nalaat dit bedrag aan te passen ondanks dat zij hierover correct is geïnformeerd door verzoeker. Daarnaast stelt verzoeker dat hij het vertrouwen in de bewindvoerder, mede door het gebrek aan communicatie, is verloren.
3.2.
De bewindvoerder stelt dat zij haar taak op een correcte wijze uitvoert en dat er geen aanleiding is voor de aanstelling van een andere bewindvoerder. Verzoeker heeft weliswaar kenbaar gemaakt dat er dingen gewijzigd zijn in zijn inkomen en huur, maar laat vervolgens na dit correct aan te tonen.
3.3.
De RC schrijft dat zij geen enkele reden heeft om aan te nemen dat de bewindvoerder haar taken niet op een correcte wijze heeft uitgevoerd. De boedelbijdrage is verschuldigd per datum uitspraak en het is aan verzoeker om aan te tonen welke inkomsten hij heeft en per wanneer en waarom hij bepaalde inkomsten niet meer zou hebben.
3.4.
De rechtbank is uit het gestelde, noch uit de overgelegde stukken geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit volgt dat [naam bewindvoerder] zich bij haar taakuitoefening niet als een redelijk en bekwaam handelend bewindvoerder, binnen de wettelijke kaders van haar taakstelling, heeft gedragen.
De bewindvoerder heeft als primaire taak om met toepassing van de specifieke regelgeving omtrent de naleving van de verplichtingen voor verzoeker uit de schuldsaneringsregeling, zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Er is slechts sprake van een zakelijke relatie die geen enkele zorgplicht, anders dan bij wet voorgeschreven, omvat. Dit betekent dat de communicatie zich ook enkel tot de daaronder vallende zakelijke elementen beperkt. Uit hetgeen is overgelegd blijkt niet dat de bewindvoerder (marginaal getoetst) anders dan in dit kader gebruikelijk communiceert.
De bewindvoerder-WSNP behartigt in beginsel de belangen van de schuldeisers in evenwicht met het bij wet omschreven belang van de schuldenaar, waaronder toepassing van art. 295 FwPro.
Uit het over en weer gestelde blijkt de rechtbank niet dat de bewindvoerder fouten begaan heeft bij de berekening van het VTLB: zij heeft, onbetwist gelaten, de berekening volgens de meest recente VTLB-calculator (2015) uitgevoerd, welke berekening door de rechter-commissaris expliciet wordt onderschreven. Evenmin is weersproken dat de bewindvoerder, anders dan verzoeker stelt, bij haar (meest recente) berekening wél rekening heeft gehouden met het weggevallen inkomsten uit hoofde van het geëindigde vrijwilligerswerk voor de VVE.
Op grond van het vorenoverwogene zij duidelijk dat het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder als zijnde niet of onvoldoende gegrond en gemotiveerd behoort te worden afgewezen.
3.5.
De rechtbank wijst in dit verband op het volgende.
Hoewel art. 319 FwPro. voor een verzoek tot ontslag van de bewindvoerder toestaat, is de rechtbank van opvatting dat bij klachten over de (gedragingen van) de bewindvoerder WSNP op de voet van artikel 314 FwPro. de rechter-commissaris de eerst aangewezene is om zich tot te wenden en de klacht(en) kenbaar te maken, alsook om die te doen beoordelen.
De rechter-commissaris is immers belast met toezicht op de wijze waarop de bewindvoerder-WSNP zijn of haar wettelijke taken verricht en is beter en actueler in de zaak ingevoerd dan de rekestenkamer van de rechtbank.
Mocht dat niet tot een tevredenstellende oplossing of beschikking leiden, dan biedt art. 315 FwPro. de mogelijkheid de rechtbank te adiëren.
Blijkens de Faillissementswet ligt het door de wetgever beoogde startpunt voor onder andere kwesties als deze in beginsel bij de rechter-commissaris, getuige de hoeveelheid taken die bij de wijziging van artikel 315 FwPro. van 24 mei 2007 Stb. 192 van de rechtbank naar de rechter-commissaris zijn overgeheveld.
3.6.
Wat overigens door verzoeker is aangevoerd is ook door de rechtbank beoordeeld, maar leidt niet tot een andere beslissing.
4.4. De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Groen en in het openbaar uitgesproken.