ECLI:NL:RBLIM:2016:1443
Rechtbank Limburg
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgemeenschap en onroerende zaak buiten gemeenschap gesteld
In deze zaak tussen de man en vrouw staat de verdeling van de inboedel en de vraag centraal of het aandeel van de vrouw in een onroerende zaak tot de huwelijksgemeenschap behoort. De vrouw probeerde de discussie over de inboedel te heropenen met een akte, maar de rechtbank wees dit af omdat dit in strijd was met de goede procesorde en het principe van concentratie van het debat.
De rechtbank baseerde zich op eerdere procesafspraken en de tussenbeschikking waarin was vastgesteld dat de vrouw de stellingen van de man over de inboedel onvoldoende had bestreden. De vrouw moest daarom een bedrag betalen aan de man wegens overbedeling.
Ten aanzien van de woning oordeelde de rechtbank dat de vrouw samen met haar broers eigenaar is van de onroerende zaak, maar dat haar aandeel niet in de huwelijksgemeenschap is gevallen. Dit volgt uit de koop- en leveringsakte van 1993, de lening en de schenkingen onder uitsluitingsclausule die de vrouw uit privévermogen heeft voldaan. De rechtbank verwierp het betoog van de vrouw dat het testament van haar vader dit zou wijzigen, omdat zij dit onvoldoende had toegelicht.
De rechtbank bepaalde de verdeling van de gezamenlijke goederen, waaronder auto's, motor, bankrekeningen en de restopbrengst van de woning, en stelde dat de vrouw een bedrag aan de man moet betalen wegens overbedeling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden ieder voor eigen rekening gedragen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw om terug te komen op de eindbeslissing af en bepaalt dat haar aandeel in de woning niet tot de huwelijksgemeenschap behoort.