Uitspraak
4.De rechtbank overweegt als volgt.
14.Het beroep is ongegrond.
15.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2016.
Rechtbank Limburg
Eiser, werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA), verzocht verweerder om een incident waarbij hij opzij moest springen voor een auto die over het trottoir reed, aan te merken als dienstongeval en beroepsincident. Verweerder wees dit verzoek af omdat het incident niet als buitensporig werd beschouwd en het inherent risico van de functie betreft.
De rechtbank stelde vast dat partijen van mening verschilden over de feitelijke toedracht, waarbij eiser stelde dat de auto vol gas op hem afreed, terwijl de verklaringen van een collega en het proces-verbaal dit niet bevestigden. De rechtbank achtte de verklaring van verweerder en diens collega aannemelijk en concludeerde dat het incident niet buitengewoon was.
Juridisch overwoog de rechtbank dat bij psychische arbeidsongeschiktheid het buitensporigheidsvereiste geldt en dat eiser onvoldoende feiten had aangevoerd om te stellen dat het incident aan dit criterium voldeed. Gezien de aard van het werk van een BOA en de ervaring van eiser was het risico van een auto die het trottoir oprijdt inherent aan de functie.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat er geen aanleiding is tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat het incident niet als buitensporig dienstongeval kan worden aangemerkt.