Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 april 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te Nederweert, eiser
de Staatssecretaris van Financiën, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
“Gedurende de tijd die nodig is om een besluit te nemen naar aanleiding van het voornemen om de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen, maak ik gebruik van mijn bevoegdheid om u te schorsen.”De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze formulering, in tegenstelling tot hetgeen daaromtrent (ook) ter zitting is betoogd, de schorsing wel degelijk in duur heeft beperkt. De inhoud van het primaire besluit leidt niet tot een ander oordeel, omdat verweerder in dit besluit weliswaar heeft vermeld dat de schorsing niet in duur is beperkt (zie het primaire besluit op de derde pagina in de derde alinea):
“ Ik maak u er, ten overvloede, nog op attent dat de schorsing van betrokkene, nu deze schorsing niet in duur is beperkt, gewoon doorloopt”, maar omtrent de lengte van de duur van de schorsing, in afwijking van het besluit met kenmerk DGBP/2015/298M, geen nieuw besluit heeft genomen, althans daarvan is de rechtbank niet gebleken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de schorsing moet worden beschouwd als te zijn beëindigd met ingang van de datum van het ontslagbesluit, te weten 7 april 2015. Dit geldt tevens voor de op grond van artikel 92, eerste lid, van het ARAR aan de schorsing gekoppelde inhouding van eisers (volledige) bezoldiging. Dit betekent dat eiser alsnog recht heeft op uitbetaling van de bezoldiging over de periode vanaf het ontslagbesluit (7 april 2015) tot aan de datum van het daadwerkelijke ontslag (9 april 2015).
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2016.