Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding,
- de mondelinge behandeling.
2.Het geschil
3.De beoordeling
816,00
Rechtbank Limburg
Eiseres vordert in kort geding dat gedaagde wordt veroordeeld tot verwijdering van illegaal gestorte grond en puin op een perceel dat deels aan haar toebehoort. Zij stelt dat de grond chemisch verontreinigd is, waardoor spoedeisend belang bestaat.
Gedaagde betwist dat de grond chemisch verontreinigd is. De voorzieningenrechter oordeelt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van chemische verontreiniging. Het ontbreken van een ‘schone grond verklaring’ is onvoldoende bewijs, en er is geen bodemonderzoek overgelegd. Ook de stelling dat de grond afkomstig is van een parkeerterrein en daardoor verontreinigd zou zijn, wordt niet als een feit van algemene bekendheid erkend.
Omdat onvoldoende aannemelijk is dat de grond chemisch verontreinigd is, ontbreekt het aan een spoedeisend belang. Eiseres had de uitkomst van een bodemprocedure kunnen afwachten. De voorzieningenrechter komt daarom niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering en verklaart eiseres niet-ontvankelijk.
Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde, begroot op € 1.104,00. Het vonnis is gewezen door mr. J.F.W. Huinen en op 26 april 2016 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken spoedeisend belang bij vordering tot verwijdering grond.