Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
[gedaagde 3],
1.De procedure
- de gelijkluidende dagvaardingen van 6 en 9 februari 2015
- de conclusie van antwoord
- het proces-verbaal van comparitie van 26 januari 2016
- het aanvullend proces-verbaal van comparitie van 26 januari 2016.
2.De feiten
van schuldenaar[de rechtbank: de stichting]
uit hoofde van geldlening ad. € 50.000,-- (…), wegens op heden ter leen verstrekte gelden, gestort op rekening ten name van Stichting [de stichting] , (…) te vorderen heeft een bedrag van € 50.000,-- (…), hetgeen de schuldenaar verklaart aan schuldeiser verschuldigd te zijn, zulks onder de navolgende bedingingen en bepalingen:
De schuldenaar zal in verzuim zijn door het enkele feit van het niet nakomen of het verloop van de tijd voor de betaling gesteld, zonder dat enige ingebrekestelling door bevel of soortgelijke akte zal zijn vereist. (…).”
3.Het geschil
4.De beoordeling
Daarnaast kunnen zich ingevolge vaste jurisprudentie ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen (Hoge Raad