Op 29 december 2014 mishandelde verdachte het slachtoffer door hem met een platte hand tegen de linkerkaak te slaan in Bocholtz. De mishandeling ontstond tijdens een woordenwisseling rondom het terughalen van geleende spullen na het beëindigen van een relatie. Verdachte gaf toe het slachtoffer te hebben geslagen, maar stelde dat dit gebeurde uit noodzakelijke verdediging van zijn moeder.
De rechtbank verwierp het beroep op (putatief) noodweer omdat niet vaststond dat het slachtoffer een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval op de moeder van verdachte zou plegen. Verdachte kon ook niet verschoonbaar dwalen over het bestaan van een noodweersituatie. De mishandeling vond plaats op de openbare weg, waarbij meerdere getuigen aanwezig waren.
Hoewel verdachte eerder veroordeeld was voor geweldsdelicten en nog voorwaardelijk vrij was, toonde hij sinds die tijd een positieve gedragsontwikkeling en werkte hij aan een delictvrije toekomst. Gezien deze omstandigheden, de aard van het feit en het tijdsverloop, legde de rechtbank geen straf of maatregel op.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €221,56. De rechtbank wees alleen de reiskosten voor slachtofferhulp toe (€15,40) en verklaarde de benadeelde niet-ontvankelijk voor de immateriële schade wegens onevenredige belasting van het strafgeding. Verdachte werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente.