Uitspraak
Rechtbank Limburg
1.Het verloop van de procedure
2.De beoordeling
3.De beslissing
19 januari 2016.
Rechtbank Limburg
De man heeft een verzoek ingediend tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen, zorgregeling en kinderalimentatie. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en zelfstandig verzoeken ingediend, waaronder een verzoek tot verevening van het ouderdomspensioen en verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Tevens verzocht zij om een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 WBRv Pro, waarbij zij de man wilde veroordelen tot medewerking aan het invullen van het pensioenvereveningsformulier.
Partijen hebben echter een minnelijke regeling getroffen over de pensioenverevening, die zij vóór 24 januari 2016 zouden uitvoeren. De vrouw verzocht vervolgens om deze afspraak vast te leggen in een beschikking, hetgeen de man kon instemmen.
De rechtbank oordeelde dat voor een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 WBRv Pro vereist is dat er een bodemprocedure aanhangig is en dat er materiële samenhang bestaat tussen het voorlopige verzoek en het bodemverzoek. Deze materiële samenhang ontbrak omdat het oorspronkelijke verzoek van de man niet zag op pensioenverevening, waardoor het zelfstandige verzoek van de vrouw in de bodemprocedure niet ontvankelijk is.
Daarom verklaarde de rechtbank het incidentele verzoek niet-ontvankelijk en wees zij af om de minnelijke regeling vast te leggen in een beschikking. De kosten van de procedure werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De bodemprocedure wordt voortgezet met een mondelinge behandeling op een nader te bepalen datum.
Uitkomst: Het incidentele verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van materiële samenhang met het bodemverzoek.