De rechtbank Limburg behandelde op 2 februari 2016 de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van diefstal in vereniging uit een woning in Venlo. De tenlastelegging betrof het wegnemen van diverse goederen uit de woning van de benadeelde, waarbij sprake zou zijn geweest van geweld en het toedienen van verdovende middelen.
Tijdens de terechtzitting op 19 januari 2016 ontbrak wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte daadwerkelijk in de woning van de benadeelde aanwezig was. De enige aanwijzing was een verklaring van de benadeelde dat hij met de verdachte en anderen uit het café naar zijn woning was gegaan, maar dit werd niet ondersteund door technisch bewijs zoals DNA- of vingerafdrukonderzoek, dat niet was uitgevoerd.
De verdediging voerde aan dat de verdachte niet wettig kon worden bewezen en dat ook het subsidiaire feit van het voorhanden hebben van gestolen goederen niet bewezen kon worden, omdat niet kon worden vastgesteld dat verdachte wist dat de goederen door misdrijf waren verkregen.
De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van aanvullend technisch bewijs en de ontkenning van verdachte en medeverdachten voldoende reden was om verdachte vrij te spreken van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, nu verdachte werd vrijgesproken.