Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding,
- de akte houdende producties van Vodafone,
- de mondelinge behandeling,
- de pleitnota van [eiser] ,
- de pleitnota van Vodafone.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
“gedupeerd door [naam webwinkel 2] ”. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat dit overzicht betrekking heeft op de “logins” van de beheerder(s) van Facebookgroep I, die daarbij gebruik maakten van de gebruikersnaam “ [gebruikersnaam] ”. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de beheerder(s) van Facebookgroep I uitsluitend gebruik hebben gemaakt van deze gebruikersnaam. Indien de beheerder(s) nog van een andere gebruikersnaam gebruik zouden hebben gemaakt, had Facebook krachtens het vonnis van 11 mei 2016 gegevens van deze “gebruiker” aan [eiser] dienen te verstrekken. Bij vonnis van 11 mei 2016 heeft de voorzieningenrechter Facebook immers opgedragen de data, tijdstippen en IP-adressen van “logins” van
àlle (voormalige) gebruikers die in de periode vanaf 10 oktober 2015 tot 11 mei 2016 beheerder zijn geweestvan Facebookgroep I. Dat Facebook gegevens aan [eiser] heeft verstrekt waaruit blijkt dat Facebookgroep I óók met gebruikmaking van een andere gebruikersnaam dan de gebruikersnaam “ [gebruikersnaam] ” is beheerd, is niet gesteld of gebleken.
én IP-adressenvan “logins” van alle (voormalige) gebruikers die in de periode vanaf 10 oktober 2015 tot 11 mei 2016 beheerder zijn geweest van Facebookgroep I, te verstrekken. Hieruit volgt dat indien de gebruiker met gebruikersnaam “ [gebruikersnaam] ” ook op andere data en / of met gebruikmaking van een ander IP-adres zou hebben ingelogd, dit zou zijn gebleken uit het door Facebook verstrekte overzicht. Daarop worden immers àlle “logins” van de gebruiker “ [gebruikersnaam] ” geacht te zijn vermeld. Overigens heeft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat het door Facebook verstrekte overzicht incompleet is. Hij kan daarom niets anders concluderen dan dat de berichten die op 4 en 13 januari 2016 door de beheerder van Facebookgroep I op de pagina van deze groep zijn geplaatst, zijn geplaatst met gebruikmaking van het IP-adres dat behoort bij de internetaansluiting die op naam van de abonnee van Vodafone staat. Dit brengt met zich dat de voorzieningenrechter óók de berichten die op 4 en 13 januari 2016 door de beheerder op de pagina van Facebookgroep I zijn geplaatst bij zijn beoordeling zal betrekken.
tenzij zij niet daarover beschikt, zal deze worden afgewezen. Vodafone heeft immers erkend dat zij beschikt over de NAW-gegevens van de abonnee op wiens naam de internetaansluiting staat die behoort hiervoor genoemde IP-adres. In dit licht heeft [eiser] onvoldoende gesteld om aannemelijk te achten dat hij belang heeft bij toewijzing van dit onderdeel van de vordering.
816,00