Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
03/659299-16(waaronder ook de eerder ter terechtzitting gevoegde nummers 03/227971-15, 03/020144-16, 03/659107-16, 03/659155-16, 03/661113-16) en
03/661166-17(ttzgev)
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
F.M.P. [naam 2]geheel toewijzen tot een bedrag van € 262,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 23 mei 2017 (de datum waarop het strafbare feit is gepleegd). De opgevoerde schadepost is immers niet betwist en aan de verdachte zal onder andere ter zake van dat feit een straf worden opgelegd.
[slachtoffer 31]toewijzen tot een bedrag van € 73,94 ter zake de post materiele schade, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 1 augustus 2016 (de datum waarop het strafbare feit is gepleegd). Deze schadepost is immers niet betwist en aan de verdachte zal onder andere ter zake van dat feit een straf worden opgelegd.
benadeelde partij [betrokkene 33]niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken
8.De vernietiging strafbeschikking
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
Vrijspraak
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten alsmede de ad informandum gevoegde feiten tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:
- zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of
- geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
- verstaat dat zo spoedig mogelijk wordt aangevangen met de hiervoor onder bijzondere voorwaarde a bedoelde klinische behandeling in het kader van artikel 43, derde lid, van de Penitentiaire Beginselenwet.
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf;
- wijstde vordering van
de benadeelde partijF.M.P. [naam 2]toeen veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, te betalen
€ 262,00te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 23 mei 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening; - veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [naam 2] , van
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;
- wijstde vordering van de
benadeelde partij[slachtoffer 31], gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen
€ 73,94, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 1 augustus 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening; - wijstde vordering van de benadeelde partij voor het overige
af; - veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 31] , van
- verklaart de
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.
benadeelde partijR.C.L. [slachtoffer 16]niet-ontvankelijkin haar vordering en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
benadeelde partijR.C.L. [slachtoffer 16]niet-ontvankelijkin haar vordering en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
benadeelde partij[betrokkene 32] ./ [slachtoffer 11] Belfeldniet-ontvankelijkin haar vordering en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
benadeelde partij[slachtoffer 30]niet-ontvankelijkin haar vordering en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
benadeelde partij[slachtoffer 5]niet-ontvankelijkin haar vordering en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;