Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald
- de comparitie van partijen op 25 september 2017
Rechtbank Limburg
Partijen hadden een affectieve relatie en samenwoning, welke eindigde in 2005. De financiële afwikkeling werd geregeld in een convenant van oktober 2006, waarin bankrekeningen werden toegewezen aan partijen en verrekening werd uitgesloten.
De eiseres, beschermingsbewindvoerder en schuldsaneringsgerechtigde, vordert nakoming van het convenant door medewerking van gedaagde aan tenaamstelling van bankrekeningen en betaling van het positieve saldo van een gezamenlijke rekening.
De rechtbank oordeelt dat alleen de schuldsaneringsbewindvoerder bevoegd is tot het instellen van vorderingen betreffende boedelgoederen. Nakoming van de medewerkingsverplichting is toewijsbaar, maar betaling van het banksaldo wordt afgewezen wegens ontbreken van een rechtsgrond, mede omdat verrekening was uitgesloten en geen andere grondslag is gebleken.
De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Vordering tot betaling van het positieve banksaldo wordt afgewezen, maar gedaagde wordt veroordeeld tot medewerking aan tenaamstelling bankrekeningen.