ECLI:NL:RBLIM:2017:10405
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens ernstige overschrijding redelijke termijn bij witwaszaak
De zaak betreft verdenkingen tegen de verdachte van gewoontewitwassen, valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie in de periode 2001-2011. De procedure startte met een eerste doorzoeking in november 2009, maar de inhoudelijke behandeling vond pas jaren later plaats.
De verdediging verzocht niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding van de redelijke termijn, wat het moeilijk maakte een inhoudelijke verdediging te voeren. De officier van justitie erkende de termijnoverschrijding, maar vond dat dit niet tot niet-ontvankelijkheid moest leiden.
De rechtbank oordeelde dat de overschrijding van bijna acht jaar ernstig was en dat het strafvorderlijk belang bij vervolging ontbrak. Dit vanwege het grote tijdsverloop, het schenden van het verdedigingsbelang en het belang van waarheidsvinding, en het feit dat de officier van justitie het meest ernstige feit (deelname aan criminele organisatie) inmiddels wilde laten vallen.
De rechtbank concludeerde dat de overschrijding grotendeels te wijten was aan het Openbaar Ministerie, dat de zaak niet tijdig had gesplitst en de tenlastelegging niet had aangepast. Daarom werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn.