Uitspraak
,
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.Het standpunt van de veroordeelde en de officier van justitie
4.De beoordeling
vernietigd.
Rechtbank Limburg
De minderjarige veroordeelde werd wegens mishandeling veroordeeld tot een werkstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Op bevel van de officier van justitie werd celmateriaal afgenomen voor DNA-bepaling en opname in de landelijke DNA-bank.
De veroordeelde maakte bezwaar op grond van artikel 2 lid 1 onder Pro b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, stellende dat hij een first offender is, het misdrijf een eenmalige misstap betrof en dat het bepalen van het DNA-profiel disproportioneel is gezien zijn leeftijd en omstandigheden. De officier van justitie erkende dat in deze specifieke situatie geen opsporingsbelang aanwezig is en vond het bezwaar gegrond.
De kinderrechter oordeelde dat de afname en verwerking van DNA bij minderjarigen, die op pedagogische gronden een werkstraf krijgen in plaats van een geldboete, leidt tot een nadelige positie ten opzichte van meerderjarigen. Dit is in strijd met artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro. Gezien de diagnose PDD-NOS en de sociale problematiek van de veroordeelde, alsmede het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht, prevaleert het belang van de veroordeelde.
Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard en werd bevolen het afgenomen celmateriaal terstond te vernietigen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen DNA-afname en verwerking wordt gegrond verklaard en het celmateriaal wordt vernietigd.