Uitspraak
7.Het wettelijk kader luidt als volgt.
18.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2017.
Rechtbank Limburg
Verzoekers exploiteren nachtcafé Allebonheur in Maastricht. Op 14 oktober 2017 trof de politie tijdens een controle in het lokaal 33,8 gram cocaïne in handelsverpakkingen aan, plus 3,8 gram cocaïne bij een leidinggevende. Daarnaast waren er meldingen en observaties van openlijke handel en gebruik van drugs in het pand.
Verweerder sloot het lokaal op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet voor 12 maanden wegens de handelshoeveelheid harddrugs en de aantasting van de openbare orde. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening, stellende dat de maatregel disproportioneel is, dat zij maatregelen hadden genomen en dat zij niet verantwoordelijk zijn voor de drugshandel.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne een handelshoeveelheid is en dat de eerdere politie-informatie de ernst bevestigt. De sluiting is een reparatoire maatregel gericht op het beëindigen van de drugshandel en niet op verwijtbaarheid van verzoekers. Het financiële nadeel voor verzoekers weegt niet op tegen het belang van de openbare orde.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat het besluit in de bezwaarprocedure geen stand zal houden. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van het nachtcafé wegens handel in harddrugs wordt afgewezen.