Eiser was sinds januari 2013 wegens ziekte arbeidsongeschikt en kreeg zijn bezoldiging vanaf april 2015 gestaakt vanwege vermeende nalatigheid bij re-integratie. Na een deskundigenoordeel en medische rapportages stelde de rechtbank vast dat eiser niet in staat was het spreekuur van de bedrijfsarts op 12 juni 2015 te bezoeken, waardoor de staking van bezoldiging onrechtmatig was. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor deze periode en bepaalde dat de bezoldiging met wettelijke rente moet worden nagekomen.
Ten aanzien van het eervol ontslag per 4 augustus 2015 op grond van volledige arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, oordeelde de rechtbank dat geen sprake was van buitensporige werkomstandigheden die dit rechtvaardigen, verwijzend naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Het beroep op dit punt werd ongegrond verklaard.
De rechtbank wees erop dat de financiële afwikkeling van het ontslag via een aparte rechtsgang moet worden behandeld. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Limburg op 8 december 2017.