Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bevolen;
- de comparitie van 9 oktober 2017.
Rechtbank Limburg
De eiser, werkzaam als Legal Counsel bij de werkgever, betwistte de wijziging van het arbeidsvoorwaardenreglement waarbij de collectieve loonindexatie voor werknemers boven 120% van de salarisschaal werd afgeschaft. De werkgever had deze wijziging in overleg met de ondernemingsraad (OR) doorgevoerd, waarbij het reglement onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst en een incorporatiebeding bevat dat toekomstige afspraken tussen werkgever en OR bindend verklaart.
De kantonrechter stelde vast dat de OR geen wettelijk instemmingsrecht heeft over primaire arbeidsvoorwaarden zoals loon, maar wel met de werkgever kan onderhandelen over collectieve regelingen. Door ondertekening van het arbeidsvoorwaardenreglement stemde de werknemer in met de bevoegdheid van de OR om namens werknemers wijzigingen overeen te komen. De wijziging was daarmee een tweezijdige wijziging en niet een eenzijdige, waardoor toetsing aan een zwaarwegend belang niet aan de orde was.
Hoewel de OR had aangegeven dat met de werknemer een compromis gezocht moest worden, was het niet aannemelijk dat de OR bedoelde dat de wijziging niet op de werknemer zou gelden. De vordering van de werknemer werd daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vordering van de werknemer tot loonbetaling wegens wijziging van het arbeidsvoorwaardenreglement wordt afgewezen.