ECLI:NL:RBLIM:2017:1265

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 februari 2017
Publicatiedatum
13 februari 2017
Zaaknummer
5491272 cv16-10534
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 22 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering uitzendkracht wegens onvoldoende onderbouwing

Eiser was vanaf juli 2011 als uitzendkracht bij Olympia tewerkgesteld en werkte bij G4S Fire & Safety. Na beëindiging van de uitzendovereenkomst in augustus 2014 stelde eiser dat hij nog recht had op achterstallig loon, waaronder scheidingstoelage, reisuren en maaltijdvergoedingen.

Eiser baseerde zijn vordering op een zelfgemaakt overzicht en verwees naar de bedrijfsovereenkomst van G4S. Olympia betwistte de vordering en stelde dat zij reeds maaltijdvergoedingen had betaald. De kantonrechter benadrukte dat eiser de feiten en omstandigheden moest stellen en bewijzen volgens artikel 150 Rv Pro.

De rechter oordeelde dat het overzicht onvoldoende bewijs bood dat de reisuren waren gemaakt of dat aan de voorwaarden voor vergoeding was voldaan. Ook was niet onderbouwd dat eiser recht had op een hogere maaltijdvergoeding dan reeds ontvangen. Voor de scheidingstoelage ontbrak elke feitelijke onderbouwing, en het verzoek om inzage in boekingen werd afgewezen omdat eiser zijn stellingen onvoldoende had gespecificeerd.

De kantonrechter wees de loonvordering af wegens onvoldoende onderbouwing en veroordeelde eiser in de proceskosten, inclusief wettelijke rente over deze kosten.

Uitkomst: De loonvordering van de uitzendkracht wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 5491272 \ CV EXPL 16-10534
Vonnis van de kantonrechter van 15 februari 2017
in de zaak van:
[eiser],
wonend te [woonplaats eiser] ,
eisende partij,
gemachtigde mr. M. Ledesma Marin
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OLYMPIA UITZENDBUREAU B.V.,
gevestigd te Weert,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. B.J. Bongaards.
Partijen zullen hierna [eiser] en Olympia worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de conclusie van antwoord
  • de brief waarbij een comparitie van partijen is gelast
  • de comparitie van partijen d.d. 18 januari 2017.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] was vanaf 25 juli 2011 op basis van een uitzendovereenkomst met Olympia tewerkgesteld bij G4S Fire & Safety als brandwacht. Op de uitzendovereenkomst is de cao voor uitzendkrachten van toepassing.
2.2.
De uitzendovereenkomst is in augustus 2014 geëindigd.
2.3.
[eiser] heeft bij brief van 28 juli 2014 bij Olympia kenbaar gemaakt nog aanspraak te maken op loon. Partijen zijn nadien in overleg getreden, maar zijn niet tot overeenstemming gekomen.
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Olympia te veroordelen tot betaling van € 12.151,25 netto als zijnde achterstallig loon, dan wel een ander in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente en wettelijke verhoging, kosten rechtens.
3.2.
Olympia voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.4. De beoordeling

4.1.
[eiser] stelt bij dagvaarding aanspraak te maken op:
  • € 3.966,75 netto aan scheidingstoelage
  • € 1.612,50 netto aan (gemiste) reisuren
  • € 6.572,00 netto aan maaltijdvergoedingen.
4.2.
Ter onderbouwing van bovengenoemde vordering heeft [eiser] gewezen op een door hem zelf vervaardigd overzicht, zoals overgelegd als productie 4 bij dagvaarding. De grondslag voor voormelde vergoedingen is te vinden in de bedrijfsovereenkomst van G4S, aldus [eiser] .
4.3.
Olympia heeft de vordering van [eiser] betwist.
4.4.
De kantonrechter stelt voorop dat overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro het op de weg van [eiser] ligt om feiten en omstandigheden te stellen en bij afdoende betwisting te bewijzen waaruit de juistheid van zijn stellingen blijkt.
4.5. Naar het oordeel van de kantonrechter biedt het door [eiser] overgelegde overzicht onvoldoende steun voor de stelling dat hij nog een loonaanspraak heeft op Olympia. [eiser] heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat de door hem geclaimde (gemiste) reisuren daadwerkelijk zijn gemaakt of dat hij op zijn minst voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld in de bedrijfsovereenkomst van G4S om tot uitkering van die reisuren in aanmerking te komen. Dit geldt onverkort ook voor de maaltijdvergoedingen, waarbij ook nog eens meeweegt dat Olympia onbetwist heeft gesteld dat zij aan [eiser] wél maaltijdvergoedingen heeft betaald. [eiser] heeft nagelaten om onderbouwd te stellen dat hij niettemin aanspraak heeft op meer of een hogere vergoeding. Ten aanzien van de scheidingstoelage geldt ook dat [eiser] onvoldoende feiten heeft gesteld ter onderbouwing van zijn vordering. Niet blijkt immers dat [eiser] op verzoek van Olympia (of G4S) elders heeft moeten overnachten. Tijdens de comparitie van partijen heeft [eiser] op grond van artikel 22 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering verzocht om Olympia de boekingen die betrekking hebben op de overnachtingen over te laten leggen. De kantonrechter passeert dit verzoek. Het had op de weg van [eiser] gelegen om zijn stellingen nader te onderbouwen door bijvoorbeeld te stellen op welke data zijn vordering betrekking had. Nu zulk niet het geval is, ziet de kantonrechter geen enkele aanleiding om met toepassing van artikel 22 Rv Pro Olympia te gelasten de door [eiser] bedoelde boekingen over te leggen.
4.6.
De conclusie is dan ook dat [eiser] zijn vordering feitelijk onvoldoende onderbouwd heeft gesteld. De kantonrechter komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. De vordering wordt afgewezen.
4.7.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Olympia worden tot op heden begroot op € 600,00 (2,0 punt x € 300,00 tarief) aan gemachtigdensalaris. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal, bij gebrek aan verweer, eveneens worden toegewezen zoals gevorderd door Olympia.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Olympia begroot op € 600,00 en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.
type: SM
coll: