In deze zaak vorderden MIC en een andere eiser betaling van een bedrag en rente, welke bij verstekvonnis aan hen waren toegewezen tegen de gedaagden. De gedaagden stelden verzet in tegen dit verstekvonnis. De rechtbank beoordeelde eerst of het verzet tijdig was ingesteld, wat vereist is binnen vier weken na betekening van het verstekvonnis of na een daad van bekendheid daarmee.
De rechtbank stelde vast dat het verstekvonnis op 15 februari 2016 aan de gedaagden was betekend en het verzet op 11 maart 2016 was ingesteld, binnen vier weken na betekening. Echter, de eisers stelden dat de gedaagden al eerder, op 29 januari 2016, door een aangetekende zending kennis hadden genomen van het verstekvonnis. De gedaagden ontkenden zelf ontvangst, maar erkenden dat een van hun kinderen het aangetekende schrijven in ontvangst had genomen en dat zij zelf wel kennis hadden genomen van het vonnis.
De rechtbank oordeelde dat deze kennisname door de gedaagden als een daad van bekendheid geldt, waardoor de termijn voor het instellen van verzet eerder begon te lopen. Omdat het verzet pas na meer dan vier weken na deze datum werd ingesteld, was het verzet niet tijdig. De rechtbank verklaarde het verzet daarom niet-ontvankelijk en veroordeelde de gedaagden in de kosten van het verzet.