ECLI:NL:RBLIM:2017:2752

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 maart 2017
Publicatiedatum
24 maart 2017
Zaaknummer
5428821 cv16-9745
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:231 BWArt. 7:280 BWArt. 6:96 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens forse huurachterstand en ontruiming woning

De stichting Wonen Limburg vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning vanwege een huurachterstand van €5.292,87 per 4 januari 2017. Gedaagde partij betwist de hoogte van de achterstand en overlegt enkele betalingsbewijzen, maar deze zijn onvoldoende om de volledige achterstand weg te nemen.

De kantonrechter overweegt dat de huurachterstand een tekortkoming vormt die ontbinding en ontruiming rechtvaardigt, ongeacht de persoonlijke omstandigheden van de huurders. De gevorderde termijn van zes maanden (terme de grâce) om alsnog te betalen wordt afgewezen omdat de wet maximaal één maand toestaat en gedaagde niet heeft aangetoond binnen die termijn te kunnen betalen.

Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten toegewezen conform het toepasselijke Besluit. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de achterstand, ontruiming binnen twee weken en vergoeding van de proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van de huurachterstand met rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 5428821 \ CV EXPL 16-9745
Vonnis van de kantonrechter van 29 maart 2017
in de zaak van:
de stichting STICHTING WONEN LIMBURG,
gevestigd te Roermond,
eisende partij,
gemachtigde Hafkamp Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen:

1.[gedaagde sub 1] ,wonend [adres gedaagden] ,[woonplaats gedaagden] ,

2.
[gedaagde sub 2],
wonend [adres gedaagden] ,
[woonplaats gedaagden] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. R. Engwegen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek, inhoudende een vermeerdering van eis;
  • de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Gedaagde partij huurt van eisende partij de woning c.a., staande en gelegen te [woonplaats gedaagden] , gemeente Maasgouw, aan het adres [adres gedaagden] .
2.2.
Gedaagde partij heeft een huurachterstand laten ontstaan.

3.Het geschil

3.1.
Eisende partij vordert dat de tussen partijen bestaande huurovereenkomst ten aanzien van de woning c.a., staande en gelegen te [woonplaats gedaagden] aan het [adres gedaagden] ontbonden zal worden verklaard en dat gedaagde partij zal worden veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Daarnaast vordert eisende partij, na vermeerdering van eis bij conclusie van repliek, betaling van de huurachterstand per 4 januari 2017 ad € 5.292,87 vermeerderd met rente, incassokosten en de overige bedragen als in de dagvaarding vermeld, kosten rechtens.
3.2.
Gedaagde partij voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Partijen houdt verdeeld de vraag of de tekortkoming aan de zijde van gedaagde partij de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de daarmee samenhangende ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.
4.2.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Conform artikel 6:265 lid 1 BW Pro geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
4.3.
Eisende partij stelt bij conclusie van repliek dat op 4 januari 2017, datum van conclusie van repliek, sprake is van een huurachterstand van € 5.292,87. Gedaagde partij betwist dit en stelt dat nog betalingen zijn verricht. Zij overlegt daartoe een aantal overschrijvingsbewijzen.
4.4.
Uit de door gedaagde partij bij dupliek overgelegde overschrijvingsbewijzen blijkt dat er tot 1 maart 2017, datum van conclusie van dupliek, (mogelijk) nog een aantal betalingen hebben plaatsgevonden. De gestelde betaling van 20 december 2016 is reeds door eisende partij meegenomen in het door eisende partij overgelegde overzicht bij conclusie van repliek. De overige gestelde betalingen hebben plaatsgevonden na conclusie van repliek. Eisende partij heeft op de gestelde betalingen niet kunnen reageren en hier eventueel geen rekening mee kunnen houden. De reeds bij antwoord gestelde betalingen zijn allemaal verwerkt in het door eisende partij bij conclusie van repliek overgelegde (actuele) overzicht. Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken dient thans derhalve te worden uitgegaan van een huurachterstand van € 5.292,87 per 4 januari 2017. Gelet op de gestelde, maar nog niet vaststaande betalingen zal de kantonrechter in zijn beslissing bepalen dat alle door gedaagde partij aantoonbare gedane betalingen in mindering dienen te strekken op de veroordelingen.
4.5.
Naar het oordeel van de kantonrechter is een huurachterstand van € 5.292,87, ruim 10 maanden, een tekortkoming van de zijde van gedaagde partij, die de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde (ruimschoots) rechtvaardigt. De door gedaagde partij geschetste persoonlijke en financiële omstandigheden die tot de huurachterstand hebben geleid maken het oordeel van de kantonrechter niet anders. De tekortkoming van artikel 6:265 lid 1 BW Pro hoeft immers niet toerekenbaar te zijn. Het is de verantwoordelijkheid van gedaagde partij om aan haar (financiële) verplichtingen te voldoen. Gelet op de omvang van de huurachterstand kan van eisende partij niet verwacht worden gedaagde partij nog langer in het genot van het gehuurde te laten.
4.6.
Ten aanzien van de verzochte terme de grâce overweegt de kantonrechter als volgt.
Alvorens op de voet van artikel 7:231 BW Pro een ontbinding uit te spreken, kan de rechter de huurder een termijn van ten hoogste een maand toestaan om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen.
De door gedaagde partij verzochte termijn van zes maanden is op grond van artikel 7:280 BW Pro niet mogelijk. De kantonrechter kan ten hoogste een termijn van een maand toestaan. Gedaagde partij heeft niet gesteld dat en/of hoe zij binnen een maand alsnog aan haar verplichtingen jegens eisende partij kan voldoen. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding een terme de grâce te verlenen.
4.7.
Eisende partij maakt verder aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.
Eisende partij heeft voldaan aan hetgeen artikel 6:96 lid 6 BW Pro vereist. De gevorderde vergoeding, die overeen komt met het in het Besluit bepaalde tarief en is aangezegd in de aanmaning van 20 juli 2016, komt daarom voor toewijzing in aanmerking.
4.8.
De kantonrechter acht geen termen aanwezig gedaagde partij toe te laten tot nadere bewijslevering.
4.9.
Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
  • dagvaarding € 97,96
  • griffierecht 471,00
  • salaris gemachtigde
totaal € 1.068,96
4.10.
De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde, staande en gelegen te [woonplaats gedaagden] aan het [adres gedaagden] ,
5.2.
veroordeelt gedaagde partij, om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het gehuurde met personen en zaken te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van eisende partij te stellen,
5.3.
veroordeelt gedaagde partij hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de somma van € 5.916,69, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.292,87 vanaf 4 januari 2017 tot de dag der algehele voldoening, alsmede zoveel maal de somma van € 522,06 per maand als er vanaf 1 februari 2017 tot aan de dag der ontruiming telkens een nieuwe maand zal zijn ingegaan, onder voorbehoud van de eventuele (wettelijk) toegestane huurverhogingen,
5.4.
veroordeelt gedaagde partij voorts hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 1.068,96,
5.5.
bepaalt dat aantoonbaar door gedaagde partij gedane betalingen in mindering strekken op voorgaande veroordelingen,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.
type: ksf
coll: