Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
- dagvaarding € 97,73
- griffierecht 223,00
- salaris gemachtigde
Rechtbank Limburg
In deze zaak vordert eisende partij betaling van incassokosten die zijn ontstaan na een opdracht tot incassodienstverlening, welke door gedaagde partij voortijdig werd ingetrokken. De incassobond had de opdracht bevestigd en de algemene voorwaarden waren van toepassing. Gedaagde partij stelde dat er geen opdracht was gegeven, slechts advies was gevraagd, en dat betaling op no cure no pay basis moest plaatsvinden.
De kantonrechter oordeelde dat er wel degelijk sprake was van een opdracht tot dienstverlening, gelet op de schriftelijke bevestiging en de e-mail van gedaagde waarin hij vroeg de opdracht te stoppen. Op grond van artikel 7:408 BW Pro kan een opdracht altijd worden ingetrokken, maar volgens artikel 7:411 BW Pro en de algemene voorwaarden heeft de opdrachtnemer recht op een redelijke vergoeding.
Omdat partijen geen specifiek loon hadden afgesproken, werd het redelijke loon vastgesteld op de helft van de incassokosten, hetgeen door de kantonrechter als passend werd beoordeeld. Het beroep op no cure no pay faalde omdat bij intrekking toch een vergoeding verschuldigd is. De vordering werd toegewezen inclusief rente en kosten, en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de incassokosten als redelijke vergoeding bij intrekking van de opdracht.