ECLI:NL:RBLIM:2017:3064

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
5 april 2017
Publicatiedatum
4 april 2017
Zaaknummer
04 5631814 cv expl 17-281
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling eigen risico zorgverzekering toegewezen ondanks verweer gedaagde

De zaak betreft een vordering van de zorgverzekeraar tegen de gedaagde tot betaling van het eigen risico over het jaar 2015, een bedrag van € 434,57, vermeerderd met incassokosten en rente. Gedaagde voerde verweer met het argument dat hij door een hartinfarct met hoge medische kosten en deurwaarders werd geconfronteerd en dat een verzekering geen zin heeft als hij toch alles zelf moet betalen. Tevens betwistte hij de hoogte van het gevorderde bedrag.

De rechtbank stelde vast dat het eigen risico voor 2015 € 375,00 per meerderjarige verzekerde bedroeg, wat voor gedaagde en zijn partner een totaal van € 750,00 betekent. De medische behandelingen waarop het eigen risico betrekking heeft, werden niet betwist. De rechtbank oordeelde dat de gevorderde hoofdsom terecht is en wees het verweer af. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen omdat niet was vermeld vanaf welke datum gedaagde in verzuim was.

De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van het bedrag van € 445,46, vermeerderd met wettelijke rente over € 434,57 vanaf 22 december 2016, en in de proceskosten. De lichamelijke en financiële situatie van gedaagde vormde geen grond voor kwijtschelding. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het eigen risico en proceskosten, verweer wordt verworpen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 5631814 \ CV EXPL 17-281
Vonnis van de kantonrechter van 5 april 2017
in de zaak van:
de onderlinge waarborgmaatschappij OWM CENTRALE ZORGVERZEKERAARS GROEP, ZORGVERZEKERAAR U.A.,
gevestigd te Tilburg,
eisende partij,
gemachtigde GGN Mastering Credit N.V.,
tegen:
[gedaagde partij],
wonend [adres gedaagde partij] ,
[woonplaats gedaagde aprtij] ,
gedaagde partij,
procederende in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de conclusie van antwoord
  • de conclusie van repliek
  • de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Gedaagde partij is met eisende partij een of meerdere zorgverzekeringsovereenkomsten aangegaan betreffende de verplichte verzekering en een aanvullende verzekering.
2.2.
Ter zake eigen risico voor gedaagde partij en diens partner als medeverzekerde is in 2015 een totaalbedrag van € 434,57 in rekening gebracht.
In 2015 bedroeg het eigen risico € 375,00 per meerderjarige verzekerde.
2.3.
Gedaagde partij is diverse malen tot betaling gemaand.

3.Het geschil

3.1.
Eisende partij vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 510,65 (opgebouwd uit € 434,57 aan hoofdsom, € 65,19 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 10,89 aan reeds verschenen rente), vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Gedaagde partij voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Eisende partij vordert betaling van het hiervoor genoemde bedrag. Zij baseert haar vordering op de verzekeringsovereenkomst.
4.2.
Bij conclusie van antwoord geeft gedaagde partij een chronologische opsomming van zijn klachten, medische onderzoeken en behandelingen. Gedaagde partij stelt dat de cardioloog heeft beslist dat gedaagde partij per ambulance vervoerd moet worden en dat hij vervolgens met de kosten wordt opgezadeld. Door het hartinfarct is gedaagde partij opgezadeld met hoge kosten en deurwaarders. Wanneer alles zelf betaald moet worden, heeft een verzekering geen zin. Gedaagde partij verzoekt daarom om kwijtschelding. Ook is het gedaagde partij niet duidelijk waarom hij € 434,57 moet betalen, terwijl het eigen risico € 375,00 bedraagt.
Verder schetst gedaagde partij zijn financiële situatie en geeft daarbij aan niet in staat te zijn het gevorderde bedrag ineens te voldoen.
4.3.
Het mag als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat voor sommige medische behandelingen een eigen risico geldt. Als niet betwist staat vast dat dit eigen risico voor het jaar 2015 € 375,00 per volwassen verzekerde bedroeg. Dit houdt in dat het eigen risico in 2015 voor gedaagde partij als ook zijn medeverzekerde partner € 375,00 per persoon bedraagt, derhalve een bedrag van € 750,00. Eisende partij vordert in deze procedure het in 2015 in rekening gebrachte eigen risico ad € 434,57 betreffende behandelingen van zowel gedaagde partij als ook voor zijn partner. Gedaagde partij heeft niet betwist dat de daaraan ten grondslag liggende medische behandelingen hebben plaatsgevonden. Dit houdt in dat gedaagde partij dit eigen risico verschuldigd is zodat de gevorderde hoofdsom van eisende partij wordt toegewezen, evenals de daarover gevorderde rente. De lichamelijke en financiële situatie, hoe vervelend ook, staan daaraan niet in de weg.
4.4.
Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt echter afgewezen nu eisende partij niet heeft vermeld vanaf welke datum gedaagde partij in verzuim is.
4.5.
Gedaagde partij zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
  • dagvaarding € 100,22
  • griffierecht 470,00
  • salaris gemachtigde
totaal € 690,22
4.6.
Gedaagde partij geeft nog aan niet in staat te zijn het gevorderde bedrag ineens te voldoen. Het is echter niet aan de kantonrechter om een betalingsregeling op te leggen. Gedaagde partij dient hiervoor contact met (de gemachtigde van) eisende partij op te nemen.
4.7.
De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 445,46, vermeerderd met de wettelijke rente over € 434,57 vanaf 22 december 2016 tot aan de voldoening,
5.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij gevallen en tot op heden begroot op € 690,22,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.
type: plg
coll: