Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De beoordeling
In het incident
- de jaarstukken van de onderneming van [gedaagde] over de jaren 2005 tot en met 2015;
- de aangiftes Inkomstenbelasting over de jaren 2005 tot en met 2015;
- de aangiftes Omzetbelasting over de jaren 2005 tot en met 2015;
- de rapporten van het boekenonderzoek van 2009 en die van het lopende onderzoek met onderliggende verificatoire bescheiden.
- [gedaagde] en
€ 175.000,00. Zijn echtgenote, mw. [echtgenote gedaagde] , heeft verklaard dat zij in 2009 een vos met een witte vlek onder zijn buik voor een bedrag van zeker € 60.000,00 tot € 70.000,00 hebben verkocht en daarnaast nog vijf of zes paarden voor bedragen van € 6.000,00,
€ 8.000,00 en € 10.000,00 en een onbekend aantal paardenautootjes voor een haar onbekend bedrag.
€ 100.000,00 zouden bedragen, terwijl de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat, naar zijn inschatting, de kosten omstreeks € 20.000,00 zouden bedragen. Op grond van de afgelegde verklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de kantonrechter niet bewezen dat [gedaagde] aan zijn ouders een bedrag van € 135.000,00 in contanten ter beschikking heeft gesteld.
€ 100.000,00 heeft geïnvesteerd in onderhoud en verbeteringen van het gehuurde en stelt dat hij dit bedrag mag verrekenen met de huurprijs. [gedaagde] grondt zijn verrekeningsverweer op artikel 53 Faillissementswet Pro, artikel 6:127 BW Pro en op de op 21 september 2011 met zijn ouders gesloten overeenkomst “volmacht” (hierna: de volmacht), waarin staat vermeld:
“
de kosten van de onderhoudswerkzaamheden, verbouwing vernieuwingen enz. komen in de eerste instantie voor rekening van [gedaagde] , deze moeten achteraf met de betalen huur en of opbrengsten uit een eventuele verkoop te worden verrekend”. Volgens [gedaagde] is geen sprake van een verrekeningsverbod.
€ 100.000,00 heeft gemaakt, zodat [gedaagde] reeds daarom geen beroep op verrekening toekomt. Nu verder niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] andere afspraken (dan de geldlening en volmacht) met zijn ouders heeft gemaakt op grond waarvan hij een vordering tot verrekening heeft, treft het beroep op artikel 6:127 BW Pro en 53 FW hetzelfde lot. Dit leidt ertoe dat de vordering om te verklaren voor recht dat [gedaagde] geen beroep op verrekening toekomt op grond van de overeenkomst van 21 september 2011 (onder III primair en subsidiair, volmacht, onder 9), eveneens kan worden toegewezen.
3.De beslissing
- over de periode vanaf 8 mei 2005 tot en met 7 mei 2010 een bedrag van € 2.821,00 per maand;
- over de periode vanaf 8 mei 2010 tot en met de maand september 2012 een bedrag van € 1.499,98 per maand;
- over de periode vanaf de maand oktober 2012 tot en met de maand augustus 2013 een bedrag van € 1.505,02;
- voormelde bedragen telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve data der opeisbaarheid tot de dag der voldoening;
- vanaf de maand september 2013 tot de dag der ontruiming een bedrag van