ECLI:NL:RBLIM:2017:4814

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 mei 2017
Publicatiedatum
24 mei 2017
Zaaknummer
5328962 CV EXPL 16-7939
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • E.P. van Unen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 lid 1 onder b WAM
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betwisting vordering waarborgfonds wegens onverzekerde auto en toepasselijkheid art. 27 lid 1 onder b WAM

De zaak betreft een vordering van het waarborgfonds tegen eiser wegens een schadevergoeding die het fonds heeft betaald aan een derde, veroorzaakt door een onverzekerde auto die op naam van eiser zou staan. Eiser werd bij verstek veroordeeld tot betaling, maar betwist dat hij een overeenkomst tot terugbetaling heeft gesloten en stelt dat hij niet de eigenaar noch bestuurder van de auto was.

In oppositie voert eiser aan dat de voorgestelde betalingsregeling afkomstig was van zijn broer en dat hij niet op de hoogte was van de bevestiging. Ook betwist hij de hoogte van de schade en de juistheid van de vergoeding aan de derde.

De kantonrechter constateert dat het verstekvonnis niet persoonlijk is betekend en dat het verzet tijdig is ingesteld. Het waarborgfonds heeft onvoldoende bewijs geleverd voor het bestaan van een vaststellingsovereenkomst, zodat de oorspronkelijke vordering op die grondslag wordt afgewezen.

De rechter wijst erop dat het waarborgfonds op grond van art. 27 lid 1 onder Pro b WAM een vordering tot verhaal kan hebben jegens degene die zijn verzekeringsplicht niet is nagekomen. Het waarborgfonds krijgt de gelegenheid deze grondslag nader te onderbouwen, waarna eiser kan reageren. De verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: De oorspronkelijke vordering wordt afgewezen en het waarborgfonds krijgt gelegenheid haar vordering nader te motiveren; verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 5328962 CV EXPL 16-7939
Vonnis van de kantonrechter van 24 mei 2017
in de zaak van
[eiser in oppositie]
wonend te [woonplaats]
eisende partij in oppositie
verder ook te noemen [eiser in oppositie]
gemachtigde mr. L.E.I.K. Jaminon
tegen
STICHTING WAARBORGFONDS MOTORVERKEER
gevestigd te Rijswijk
gedaagde partij in oppositie
verder ook te noemen het waarborgfonds
gemachtigde LAVG gerechtsdeurwaarders.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de inleidende dagvaarding van 20 oktober 2014
  • het verstekvonnis van 10 december 2014
  • de verzetdagvaarding 5 augustus 2016
  • de conclusie van antwoord in oppositie
  • de conclusie van repliek
  • de akte uitlating producties van het waarborgfonds.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
[eiser in oppositie] is bij het verstekvonnis veroordeeld om aan het waarborgfonds
€ 2.156,58 te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.825 vanaf 28 januari 2014 en de proceskosten. Laatstgenoemd bedrag is de hoofdsom. [eiser in oppositie] is de hoofdsom, zowel volgens de inleidende dagvaarding als volgens het antwoord in oppositie, verschuldigd omdat hij met het waarborgfonds een (betalings)overeenkomst heeft gesloten. [eiser in oppositie] is deze overeenkomst, tot betaling van maandelijks € 50, niet nagekomen zodat de hoofdsom geheel opeisbaar is. Het bedrag daarvan wordt gevormd door de vergoeding die het waarborgfonds heeft betaald aan een derde ter vergoeding van de schade die deze derde had geleden als gevolg van een aanrijding op 24 augustus 2013 door een onverzekerde auto (Citroën Berlingo kenteken [kenteken] ) die op naam van [eiser in oppositie] stond.
2.2.
[eiser in oppositie] legt aan zijn verzet ten grondslag dat hij nooit een overeenkomst met het waarborgfonds tot (terug)betaling van € 1.825 heeft gesloten. Het stuk dat het waarborgfonds ten bewijze daarvan overlegt (productie 1 bij inleidende dagvaarding) is een e-mail waarin een aflossing wordt voorgesteld van € 50 per maand, afkomstig van zijn broer [naam broer] , die vaker op zijn naam overeenkomsten is aangegaan. De bevestiging van de afspraak bij brief van 3 juni 2014 heeft hem nooit bereikt, aldus [eiser in oppositie] . Hij betwist overigens dat hij op de datum van het ongeval de eigenaar was van de betrokken auto, dit was kennelijk DTC Lease. Als de auto op zijn naam stond, althans op naam van de eenmanszaak [naam eenmanszaak] , moet zijn broer daar de hand in hebben gehad. In elk geval was [eiser in oppositie] niet de bestuurder van de auto, dit was (ook volgens het waarborgfonds) een zekere mevrouw [naam] , die hij niet kent. [eiser in oppositie] betwist tot slot, bij gebrek aan wetenschap, de hoogte van de schade en de juistheid van de stelling dat deze aan de derde is vergoed.

3.De beoordeling

3.1.
Het vonnis is niet in persoon betekend. Het vonnis is niet (aan [eiser in oppositie] bekend) ten uitvoer gelegd, althans was dat niet op de hierna te noemen datum. De betekening aan de moeder en huisgenote van [eiser in oppositie] impliceert niet zonder meer - en meer is niet gesteld - de bekendheid van [eiser in oppositie] met de veroordeling. Die blijkt voor het eerst uit de brief van zijn gemachtigde van 19 juli 2016. Het verzet is dan op 15 augustus nét op tijd, want binnen vier weken na deze daad van bekendheid, ingesteld. [eiser in oppositie] wordt in zijn verzet ontvangen.
3.2.
Het waarborgfonds heeft in de procedure in oppositie slechts herhaald, maar tegenover de gemotiveerde betwisting door [eiser in oppositie] niet bewezen noch gemotiveerd aangeboden om te bewijzen, dat
partijende vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. In zoverre kan het vonnis niet in stand blijven en op die grondslag moet de oorspronkelijke vordering alsnog worden afgewezen.
3.3.
Aan de (onbewezen) vaststellingsovereenkomst is uiteraard een feit voorafgegaan, namelijk een ongeval met een onverzekerde auto die op naam van [eiser in oppositie] stond. Daardoor kan een vorderingsrecht van het waarborgfonds op [eiser in oppositie] zijn ontstaan. Onder aanvulling van rechtsgronden gaat de kantonrechter ervan uit dat de vordering van het waarborgfonds en haar verweer in oppositie mede hierop gebaseerd zijn. Het had het waarborgfonds, zeker als instelling die publieke middelen beheert, overigens gepast deze rechtsgrond zelf gemotiveerd aan te voeren in plaats van te leunen op de stellingen van [eiser in oppositie] en te rekenen op de taakopvatting van de kantonrechter.
3.4.
Krachtens art. 27 lid 1 onder Pro b WAM heeft het waarborgfonds het recht van verhaal van door haar betaalde schadevergoeding op (onder andere) degene die zijn verplichting tot verzekering niet is nagekomen met betrekking tot het motorrijtuig waarmee de schade is veroorzaakt. Het waarborgfonds wordt in de gelegenheid gesteld nader uiteen te zetten waardoor de verplichting tot verzekering van de Citroën Berlingo op 24 augustus 2013 op (uitsluitend) [eiser in oppositie] rustte, op welke grond hij, hoewel niet (in enige relatie staand tot) de bestuurder van de auto, schadeplichtig is, wat de toedracht van de aanrijding was en in hoeverre daaruit de verplichting voor het waarborgfonds voortvloeide om de derde schadeloos te stellen, dat zij dit feitelijk gedaan heeft, enzovoorts. Kortom: al wat van belang kan zijn voor de beoordeling van de vordering op de (aangevulde) grondslag van art. 27 lid 1 onder Pro b WAM en/of een andere door het waarborgfonds te noemen grondslag. Vanzelf-sprekend zal [eiser in oppositie] op een latere datum bij akte hierop kunnen reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van
21 juni 2017voor uitlating door het waarborgfonds bij akte over de grondslagen van haar vordering als hiervoor onder 3.4 bedoeld, waarop [eiser in oppositie] op een latere roldatum bij akte zal kunnen antwoorden,
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken.