Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[eiser sub 1] ,
[eiser sub 2],
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
- de dagvaarding van 20 april 2017 met 13 producties,
- de brief van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] van 9 mei 2017 met productie 14,
- de schriftelijke reactie van [gedaagde sub 1] van 10 mei 2017,
- de mondelinge behandeling op 15 mei 2017,
- het e-mailbericht van [gedaagde sub 1] van 17 mei 2017,
- de brief (inclusief bijlage) van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] van 22 mei 2017,
- de brief van [gedaagde sub 1] van 22 mei 2017.
2.De feiten
voor elke sedertdien verstreken dat tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd van drie pro mille (3‰) van de koopsom met een maximum van 10 procent (10%) van de koopsom (…)”
3.Het geschil
4.De beoordeling
816,00