Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
vanaftien meter gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon dient te kunnen overzien. Hiervan was voor de linker buitenspiegel op de tractor van de verdachte geen sprake. Het zichtveld eindigde immers op het grondvlak ongeveer vijf meter achter het voertuig, zo blijkt uit de VOA. Dit geldt ook wanneer op dit punt de constateringen van de door de verdediging ingebrachte rapportage van Meuwissen worden gevolgd. Immers, hierin wordt geconstateerd dat de verdachte in de linker buitenspiegel zicht had op het vlaktk weggedeelte
tot8,5 meter gemeten vanaf de spiegel. Ook in het scenario waarvan Meuwissen uitgaat, was dus vanuit de linker buitenspiegel geen zicht mogelijk vanaf tien meter gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon. In de binnenspiegel was zicht mogelijk in een vlak recht achter en naar de rechterzijde achter de tractor over ruime afstand. Naar de linkerzijde, met name kort achter de tractor, was volgens de VOA geen zicht mogelijk. De VOA heeft hieruit geconcludeerd dat de bestuurder van de tractor in de linker buitenspiegel geen zicht kon hebben op het verkeer dat zich links achter hem dan wel links dicht naast hem bevond.
tot- in het voor de verdachte meest gunstige geval - 8,5 meter, gemeten vanaf de spiegel. De motorrijder was daardoor ook niet in de linkerbuitenspiegel waar te nemen. Het feit dat de verdachte de motorrijder niet heeft gezien in de spiegels, zoals hij zelf heeft verklaard, acht de rechtbank te wijten aan het feit dat de linkerbuitenspiegel niet volgens de eisen van artikel 5.8.45 van de Regeling voertuigen was afgesteld. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij zich er van bewust was dat de buitenspiegels naar binnen waren gedraaid, teneinde meer zicht te hebben op de zijkanten van de eg, die achter de tractor bevestigd was.
4.De strafbaarheid
5.De straf en/of de maatregel
6.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
7.De wettelijke voorschriften
8.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.3 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;
- ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de ontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
- wijst toe de civiele vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [benadeelde] , te betalen
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van voornoemde benadeelde partij van
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;