ECLI:NL:RBLIM:2017:6563

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
5 juli 2017
Publicatiedatum
7 juli 2017
Zaaknummer
5806198 CV EXPL 17-2447
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:402 BWArt. 150 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling kitwerk deels toegewezen wegens niet-conforme kleur en onvoldoende bewijs slechte uitvoering

Eiser heeft kitranden aangebracht in het huis van gedaagde en factureerde hiervoor € 630,77. Gedaagde betaalde niet en stelde dat de kit niet volgens afspraak was aangebracht: verkeerde kleur, glanzend in plaats van mat, en slordige uitvoering. Na meerdere verzoeken tot herstel liet gedaagde de kit door een derde vervangen.

De rechtbank oordeelt dat gedaagde de 121 meter kitranden niet betwist en dus in beginsel moet betalen. Wel is vastgesteld dat in de badkamer een afwijkende kleur is gebruikt, wat in strijd is met de opdracht en artikel 7:402 BW Pro. Voor dit deel van 15 meter wordt de factuur afgewezen. Voor de overige 106 meter kitranden is onvoldoende bewijs geleverd dat de werkzaamheden slecht zijn uitgevoerd.

De incassokosten worden afgewezen omdat niet is aangetoond dat gedaagde een veertiendagenbrief heeft ontvangen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 570,77 plus wettelijke rente en de proceskosten van € 423,93. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde moet € 570,77 plus rente en proceskosten betalen, maar factuur voor badkamerdeel wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 5806198 CV EXPL 17-2447
Vonnis van de kantonrechter van 5 juli 2017
in de zaak van
[eiser],
h.o.d.n. [handelsnaam] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde D.S. Goedhart (IP Nederland),
tegen
[gedaagde],
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de brief van [gedaagde] van 21 maart 2017 met bijlages
  • de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord
  • de rolbeschikking waarbij een comparitie van partijen is bepaald
  • het proces-verbaal van comparitie van 10 mei 2017.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft van [gedaagde] de opdracht gekregen kitranden aan te brengen in zijn huis. Op 22 juli 2016 heeft een door [eiser] ingeschakelde derde een deel van de kitranden aangebracht.
2.2.
[eiser] heeft op 9 december 2016 € 630,77 gefactureerd aan [gedaagde] voor 121 meter kitrand. [gedaagde] heeft deze factuur ondanks sommaties onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van € 737,77 (hoofdsom € 630,77, incassokosten € 94,62 en rente tot dagvaarding € 12,38), vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom, en de proceskosten. Volgens [eiser] is conform de afspraak matte kit gebruikt en zijn de kitranden netjes aangebracht, voor zoveel dit vanwege de grove structuur van de ondergrond mogelijk was. De kleur week een of twee tinten af, maar alleen in de badkamer, wat 10 tot 15 meter aan kit betrof voor € 3,- à 4 per meter,-. Volgens [eiser] moet [gedaagde] de factuur en bijkomende kosten derhalve betalen.
3.2.
[gedaagde] voert het volgende verweer. Er is glanzende in plaats van matte kit gebruikt, de kit is slordig aangebracht en er is een verkeerde kleur gebruikt. Na [eiser] meermaals in de gelegenheid te hebben gesteld een en ander te herstellen, wat hij niet heeft gedaan, heeft [gedaagde] de kit laten vervangen door een derde. Bovendien heeft [eiser] toegezegd dat de werkzaamheden twee dagen in beslag zouden nemen en dat hiervoor maximaal € 750,- in rekening zou worden gebracht. Het kan dus niet zo zijn dan voor slechts één dag, waarin maar de helft van het werk is gedaan, € 630,77 moet worden betaald.
3.3.
[eiser] heeft hiertegen nog naar voren gebracht dat de tweede dag nog 2 tot 3 uur gewerkt had moeten worden en geen volle dag meer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] heeft niet betwist dat de gefactureerde 121 meter kitrand inderdaad is aangebracht. Dit betekent dat hij de factuur in beginsel moet betalen.
4.2.
Hij heeft echter aangevoerd dat de werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd. Op grond van artikel 150 Rv Pro rust de bewijslast van deze stelling op hem. Op de door hem overgelegde foto’s is te zien dat de kitranden in de badkamer er niet strak uitzien en dat licht in de kitranden wordt gereflecteerd, wat erop lijkt te duiden dat inderdaad glanzende in plaats van matte kit is gebruikt. Wat hiervan ook zij, [eiser] heeft al erkend dat de in de badkamer gebruikte kleuren niet conform de afspraken was. Dit maakt dat de kantonrechter het factuurbedrag dat ziet op de badkamer zal afwijzen, waarbij zij zal uitgaan van 15 meter à € 4,- = € 60,-. [eiser] heeft door de verkeerde kleur te gebruiken immers in strijd met artikel 7:402 lid 1 BW Pro geen gevolg gegeven aan de door [gedaagde] gegeven aanwijzingen omtrent de uitvoering van de opdracht.
4.3.
Uit het door [gedaagde] ingebrachte bewijs valt echter niets af te leiden ten aanzien van de kwaliteit van de overige 106 meter kitrand. Hiervan heeft de kantonrechter voor zover zij kan zien geen foto’s ontvangen. Verder heeft [gedaagde] ook geen verklaring overgelegd van de derde die de kitranden zou hebben vervangen, of bijvoorbeeld een factuur van die derde. Dit had hij gelet op de stellingen van [eiser] wel moeten doen. Verder heeft hij ook geen bewijsaanbod gedaan. Dit betekent dat de kantonrechter de hoofdsom voor het overige zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente omdat [gedaagde] in verzuim verkeerd.
4.4.
De gevorderde incassokosten zal de kantonrechter afwijzen. [gedaagde] heeft betwist dat hij de voor verschuldigdheid hiervan vereiste zogenoemde veertiendagenbrief heeft ontvangen en [eiser] heeft niet aangetoond, en ook niet te bewijzen aangeboden, dat die brief wel door [gedaagde] is ontvangen.
4.5.
[gedaagde] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser] , die worden begroot op:
dagvaarding: € 100,93
griffierecht: € 223,00
salaris gemachtigde:
€ 100,00(1 punt x tarief € 100,-)
totaal € 423,93

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 570,77, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 december 2016 tot aan de dag van voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten van [eiser] , tot vandaag begroot op € 423,93,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.
type: GD