ECLI:NL:RBLIM:2017:6846

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
12 juli 2017
Publicatiedatum
14 juli 2017
Zaaknummer
5832249 CV EXPL 17-2711
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:87 BWArt. 3:307 BWArt. 3:320 BWArt. 3:321 BWArt. 139 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring van vordering tussen ex-samenwoners en proceskostencompensatie

De zaak betreft een vordering van een ex-samenwoonster tegen de bewindvoerder van haar voormalige partner, betreffende terugbetaling van bedragen die zij tijdens hun samenwoning aan hem heeft verstrekt voor verbouwingskosten en de aanschaf van een auto.

De eiseres vordert betaling van €11.000,- vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. De bewindvoerder voert verweer met als kern dat de vordering verjaard is, omdat de verlengde verjaringstermijn voor echtgenoten niet van toepassing is op ex-samenwoners.

De kantonrechter oordeelt dat de vordering terstond opeisbaar was en een verjaringstermijn van vijf jaar geldt. De vorderingen uit 2009 en 2010 zijn derhalve verjaard, omdat de stuiting pas in november 2016 plaatsvond, te laat om de verjaring te onderbreken. Het beroep op verlenging van de verjaringstermijn wordt verworpen omdat die niet geldt voor ex-samenwoners.

Ten aanzien van de proceskosten beslist de kantonrechter dat partijen ieder hun eigen kosten dragen, omdat de procedure verband houdt met hun voormalige relatie en artikel 139 Rv Pro ook voor levensgezellen compensatie mogelijk maakt.

Het vonnis wijst de vordering af en compenseert de proceskosten door ieder zijn eigen kosten te laten dragen.

Uitkomst: De vordering van de ex-samenwoonster wordt afgewezen wegens verjaring, met proceskostencompensatie waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 5832249 CV EXPL 17-2711
Vonnis van de kantonrechter van 12 juli 2017
in de zaak van
[eiseres],
wonend te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde mr. R.A. Wijnands,
tegen
[gedaagde], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] , erfgenaam van wijlen [overledene] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
Partijen zullen hierna [eiseres] en de bewindvoerder genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure na het vonnis van 22 maart 2017 in de zaak C/03/230778 / HA ZA 17-43, waarbij deze zaak is verwezen van de handelsrechter naar de kantonrechter, blijkt uit:
  • de conclusie van antwoord
  • de rolbeschikking waarbij een comparitie van partijen is bepaald
  • het proces-verbaal van comparitie van 1 juni 2017.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
[eiseres] vordert dat de bewindvoerder bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van € 11.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en onder compensatie van proceskosten. [eiseres] legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [eiseres] heeft van 2009 tot 2016 een affectieve relatie gehad met [overledene] . Toen zij in 2009 gingen samenwonen in de woning van [overledene] moest de zolder worden verbouwd tot slaapkamer. [eiseres] heeft om dit te bekostigen op 4 september 2009 € 5.000,- overgeboekt naar de rekening van [overledene] . Verder heeft zij op 2 augustus 2010 € 8.500,- aan [overledene] gegeven zodat hij een auto kon aanschaffen. Van dit bedrag heeft [overledene] € 2.500,- terugbetaald op 21 september 2010. De verbouwingskosten en het restant van het geld voor de auto, oftewel € 11.000,- moet nog worden terugbetaald op grond van artikel 1:87 BW Pro, dan wel ongerechtvaardigde verrijking.
2.2.
De bewindvoerder voert verweer.

3.De beoordeling

3.1.
De bewindvoerder voert als meest verstrekkende verweer dat de vordering van [eiseres] is verjaard. Volgens hem is de verlengde verjaringstermijn van artikel 3:320 jo Pro. 3:321 BW niet van toepassing op ex-samenwoners. De verjaring had derhalve binnen vijf jaar na de betalingen aan [overledene] moeten worden gestuit, wat niet is gebeurd.
3.2.
[eiseres] voert hiertegen het volgende aan. De verlengde verjaringstermijn die geldt voor echtgenoten is ook van toepassing op ex-samenwoners. De verjaring moet derhalve gestuit worden binnen zes maanden nadat de relatie tussen ex-samenwoners is beëindigd. De relatie tussen [eiseres] en [overledene] is begin november 2015 geëindigd en [eiseres] heeft de verjaring bij brief van 18 november 2015, dus tijdig, gestuit. De vordering is dus niet verjaard.
3.3.
De kantonrechter oordeelt als volgt. [eiseres] is met [overledene] , zo blijkt uit haar stellingen, geen termijn voor terugbetaling overeengekomen. Dit betekent dat haar vordering (als die al bestaat, wat de bewindvoerder betwist) terstond opeisbaar was. Op grond van artikel 3:307 lid 1 BW Pro geldt een verjaringstermijn van vijf jaar. De vordering voor zover die ziet op de overboeking van september 2009 is dus in beginsel in september 2014 verjaard en de betaling in augustus 2010 in augustus 2015. In artikel 3:321 BW Pro is een limitatieve opsomming gegeven van de gronden voor verlenging van de verjaringstermijn. Daaronder valt niet de situatie van ongehuwd samenlevende partners. Het beroep op verlenging van de verjaringstermijn wordt daarom verworpen. Evenmin is gesteld of gebleken dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het beroep op verjaring van de vordering slaagt, aangezien pas in november 2016, en dus te laat, een handeling is verricht die als stuiting zou kunnen gelden. De vordering wordt afgewezen.
3.4.
Volgens [eiseres] moeten de proceskosten worden gecompenseerd. Volgens de bewindvoerder niet, omdat geen sprake is van de situatie dat partijen kunnen worden vergeleken met ex-echtelieden.
3.5.
De kantonrechter zal de proceskosten compenseren in die zin dat partijen hun eigen kosten zullen dragen. Het betreft immers in essentie een procedure over ex-samenwoners en de vorderingen houden verband met de relatie die zij hebben gehad. Artikel 139 Rv Pro beperkt de mogelijkheid van compensatie niet tot echtgenoten maar geeft deze ook voor levensgezellen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat partijen hun eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.
type: GD