Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de rolbeschikking waarbij een comparitie van partijen is bepaald
- het proces-verbaal van comparitie van 1 juni 2017.
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een vordering van een ex-samenwoonster tegen de bewindvoerder van haar voormalige partner, betreffende terugbetaling van bedragen die zij tijdens hun samenwoning aan hem heeft verstrekt voor verbouwingskosten en de aanschaf van een auto.
De eiseres vordert betaling van €11.000,- vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. De bewindvoerder voert verweer met als kern dat de vordering verjaard is, omdat de verlengde verjaringstermijn voor echtgenoten niet van toepassing is op ex-samenwoners.
De kantonrechter oordeelt dat de vordering terstond opeisbaar was en een verjaringstermijn van vijf jaar geldt. De vorderingen uit 2009 en 2010 zijn derhalve verjaard, omdat de stuiting pas in november 2016 plaatsvond, te laat om de verjaring te onderbreken. Het beroep op verlenging van de verjaringstermijn wordt verworpen omdat die niet geldt voor ex-samenwoners.
Ten aanzien van de proceskosten beslist de kantonrechter dat partijen ieder hun eigen kosten dragen, omdat de procedure verband houdt met hun voormalige relatie en artikel 139 Rv Pro ook voor levensgezellen compensatie mogelijk maakt.
Het vonnis wijst de vordering af en compenseert de proceskosten door ieder zijn eigen kosten te laten dragen.
Uitkomst: De vordering van de ex-samenwoonster wordt afgewezen wegens verjaring, met proceskostencompensatie waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen.