De zaak betreft een geschil tussen [verzoekster] en Raad Maastricht over de rechtsgeldigheid van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en de vraag of deze hebben geleid tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [verzoekster] was sinds 1 mei 2014 in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, gevolgd door twee opvolgende contracten gedateerd 10 maart 2015 met looptijden tot respectievelijk 1 mei 2016 en 1 november 2016.
[verzoekster] stelde dat vanaf 1 mei 2016 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gold op grond van artikel 7:668a lid 1 BW zoals gewijzigd per 1 juli 2015 (WWZ). Raad Maastricht betwistte dit en stelde dat de tweede arbeidsovereenkomst was aangegaan vóór de WWZ en derhalve het oude recht van toepassing is, waarbij een periode van 36 maanden geldt voor omzetting naar onbepaalde tijd.
De kantonrechter overwoog dat het op de weg van [verzoekster] lag om te stellen en te bewijzen dat de tweede arbeidsovereenkomst na 1 juli 2015 is aangegaan. Dit is niet voldoende onderbouwd, waardoor de rechter uitgaat van de contractdatum 10 maart 2015. Hierdoor is het oude artikel 7:668a lid 1 BW van toepassing, en aangezien de totale duur 28 maanden bedroeg, is er geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan.
Het verzoek tot vernietiging van de opzegging en doorbetaling van loon wordt afgewezen. De transitievergoeding is reeds door Raad Maastricht betaald, wat door [verzoekster] niet is betwist, zodat ook dit verzoek wordt afgewezen. De proceskosten worden aan [verzoekster] opgelegd.