ECLI:NL:RBLIM:2017:7502

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 augustus 2017
Publicatiedatum
1 augustus 2017
Zaaknummer
AWB/ROE 17/1923
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Th.M. Schelfhout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet algemene regels herindelingReferendumverordening Provincie Limburg 2012
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen herindelingsadvies en referendumstandpunt Provinciale Staten Limburg

Een burgercomité heeft bezwaar gemaakt tegen het herindelingsadvies Landgraaf-Heerlen van Provinciale Staten van Limburg (PS) en tegen het afwijzende standpunt van PS over het houden van een raadgevend referendum. Het comité verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om de verzending van het herindelingsadvies aan de Minister van Binnenlandse Zaken te schorsen en te voorkomen dat de Minister het advies in behandeling neemt totdat op het bezwaar is beslist of het referendum is afgerond.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de besluitvorming over gemeentelijke herindeling niet voor beroep vatbaar is en dat het bezwaar daarom niet-ontvankelijk is. Daarnaast is een voorlopige voorziening alleen mogelijk binnen de grenzen van het besluit waartegen bezwaar is gemaakt. Het verzoek om schorsing zou ingrijpen in de besluitvorming op grond van de Wet algemene regels herindeling (Wet Arhi), wat niet is toegestaan.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting af. Ook werd overwogen dat het belang van het comité bij het bezwaar twijfelachtig is, aangezien het herindelingsadvies al was vastgesteld. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het herindelingsadvies en het referendumstandpunt wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB/ROE 17/1923
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 augustus 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Burgercomité Zelfstandig Landgraaf, te Landgraaf, verzoekster

(gemachtigde: mr. F.J.P. Baur),
en

Provinciale Staten van Limburg, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).

Procesverloop

Op 7 juli 2017 heeft Provinciale Staten van Limburg (PS) het Herindelingsadvies Landgraaf-Heerlen vastgesteld en het College van Gedeputeerde Staten (GS) opgedragen om dit advies aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (de Minister) toe te sturen. Tevens heeft PS op 7 juli 2017 het standpunt ingenomen dat het verzoek van verzoekster om een raadgevend referendum over het herindelingsadvies te houden niet aan alle daarvoor geldende criteria voldoet.
Verzoekster heeft tegen genoemde beslissingen van PS bezwaar gemaakt en heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een daarmee verband houdende voorlopige voorziening te treffen. Het nader geformuleerde verzoek strekt ertoe dat de beslissing van PS om GS op te dragen om het Herindelingsadvies aan de Minister toe te sturen wordt geschorst en PS wordt opgedragen om de Minister te verzoeken het Herindelingsadvies niet in behandeling te nemen totdat op het bezwaar is beslist casu quo het verzochte referendum geheel is afgerond.
PS heeft schriftelijk zijn standpunt over het verzoek om voorlopige voorziening kenbaar gemaakt..
Verzoekster heeft daarop gereageerd.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting, nu hij reeds op grond van de door partijen ingezonden stukken het verzoek kennelijk ongegrond acht. Daartoe wordt als volgt overwogen.
2. Voor zover het verzoek verband houdt met het bezwaar tegen de vaststelling van het Herindelingsadvies en de opdracht om dit aan de Minister door te zenden, staat aan toewijzing daarvan in de weg dat het bezwaar in zoverre niet is gericht tegen besluiten in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de uitspraak van 5 juli 2017 (ECLI:NL:RBLIM:2017:6452) inzake een verzoek om voorlopige voorziening van het College van Burgemeester en Wethouders van Landgraaf betreffende het aan het Herindelingsadvies van PS voorafgaande herindelingsontwerp heeft de voorzieningenrechter onder meer geoordeeld dat bij de totstandkoming van de Wet algemene regels herindeling (Wet arhi) is beoogd om ter zake van de met het oog op de voorbereiding van een herindelingswet genomen beslissingen en tussenstappen beroep bij de bestuursrechter uit te sluiten en dat deze beslissingen en tussenstappen bovendien niet als voor beroep vatbare besluiten kunnen worden aangemerkt omdat zij rechtsgevolg ontberen. Er is geen reden om over de vaststelling van het Herindelingsadvies en de opdracht om dit aan de Minister door te zenden anders te oordelen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het daartegen gerichte bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
3. Verzoekster heeft het verzoek om voorlopige voorziening tevens gekoppeld aan het door haar gemaakte bezwaar tegen het standpunt van PS dat niet voldaan is aan de criteria voor het houden van een raadgevend referendum, die ingevolge de Referendumverordening Provincie Limburg 2012 (de Referendumverordening) van toepassing zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek in zoverre niet toewijsbaar is. Hij overweegt daartoe als volgt. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Awb kan alleen dan een voorlopige voorziening worden getroffen indien beroep is ingesteld of bezwaar is gemaakt tegen een besluit. Uit dit vereiste vloeit mede voort dat een te treffen voorlopige voorziening niet mag treden buiten de grenzen van het besluit waartegen het beroep of bezwaar is gericht. Toewijzing van het voorliggende verzoek zoals weergegeven onder procesverloop, zou betekenen dat wordt ingegrepen in de besluitvorming in het kader van andere wetgeving, in dit geval de Wet Arhi, en zou derhalve de grenzen van het afwijzende besluit in het kader van de Referendumverordening te buiten gaan. Uit hetgeen onder 2 is overwogen vloeit bovendien voort dat de rechtmatigheid van de besluitvorming in het kader van de Wet Arhi niet ter beoordeling van de bestuursrechter staat omdat geen sprake is van voor beroep vatbare besluiten. Dat het honoreren van het verzoek om een raadgevend referendum te houden ingevolge artikel 6, derde lid, van de Referendumverordening als consequentie zou hebben gehad dat PS de besluitvorming over het Herindelingsadvies had moeten aanhouden, leidt niet tot een ander oordeel. Dat doet er immers niet aan af dat de gevraagde voorlopige voorzieningen uitsluitend zijn gericht op het ingrijpen in de besluitvorming in het kader van de Wet Arhi en niet op het treffen van een voorlopige maatregel betreffende de toepassing van de Referendumverordening.
4. Uit hetgeen onder 2 en 3 is overwogen volgt dat het verzoek als kennelijk ongegrond moet worden afgewezen.
5. Nu reeds zonder behandeling ter zitting moet worden geconcludeerd dat het verzoek kennelijk ongegrond is, laat de voorzieningenrechter in het midden of verzoekster nog belang heeft bij een besluit op het bezwaar tegen het afwijzend standpunt van PS over het verzoek om een raadgevend referendum. Over de vraag of er procesbelang is, is namelijk discussie mogelijk nu het Herindelingsadvies waarop het verzoek om een raadgevend referendum betrekking had, al is vastgesteld en raadgeving daarover derhalve een gepasseerd station is.
6. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen grond.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.M. Schelfhout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.. Buddeke, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2017.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 1 augustus 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.