De rechtbank Limburg behandelde de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van ontuchtige handelingen met een minderjarig meisje tussen april en november 2010. De tenlastelegging betrof het seksueel binnendringen van het lichaam van het meisje, dat toen tussen twaalf en zestien jaar oud was.
De officier van justitie stelde dat het leeftijdsverschil van vier jaar en de leeftijd van het slachtoffer de handelingen als ontuchtig kwalificeerden, en eiste een werkstraf of jeugddetentie. De verdediging voerde aan dat er sprake was van een normale, consensuele seksuele relatie zonder ontuchtig karakter.
De rechtbank oordeelde dat ondanks het leeftijdsverschil en het feit dat seksuele handelingen hadden plaatsgevonden, deze handelingen niet als ontuchtig konden worden aangemerkt. Dit vanwege de affectieve relatie, de instemming van de ouders, het langdurige karakter van de relatie en het feit dat verdachte zelfs bij het gezin van het meisje inwoonde en met haar samen sliep. De verklaring van het meisje over dwang was inconsistent en de omgeving had nooit signalen van dwang waargenomen.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken en de civiele rechter de juiste instantie is voor dergelijke vorderingen.