Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
Rechtbank Limburg
De onderlinge waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars Groep vordert betaling van het wettelijk verplicht eigen risico over 2016 van € 346,50 van gedaagde partij. Gedaagde betwist de dagvaarding en stelt dat eiser niet ontvankelijk is omdat de dagvaarding niet voldoet aan wettelijke eisen. Ook voert zij aan dat de administratie van eiser niet op orde is en dat zij en haar partner laaggeletterd zijn, waardoor zij correspondentie niet begrijpen.
De kantonrechter oordeelt dat ondanks een merkwaardige omschrijving in de dagvaarding, voor gedaagde duidelijk is waarop de vordering betrekking heeft. Er is geen bewijs dat eiser de waarheid niet heeft gesproken. De stelling dat de administratie niet klopt wordt niet onderbouwd. Gedaagde blijft verantwoordelijk voor tijdige betaling, ook als betalingen via een kredietbank lopen.
Gedaagde betwist niet dat zij in 2016 zorg heeft afgenomen waardoor het eigen risico is aangesproken. Haar betoog over medicatiegebruik en mogelijke fouten bij de apotheek gaat buiten het bestek van deze procedure. De klachtprocedure en regeling tussen partijen die na indiening van de dagvaarding is getroffen, leidt niet tot misbruik van bevoegdheid door eiser.
De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling van € 346,50 eigen risico, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, compenseert de proceskosten zodat iedere partij haar eigen kosten draagt, en wijst het meer of anders gevorderde af.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het onbetaalde eigen risico van € 346,50 en proceskosten worden gecompenseerd.