ECLI:NL:RBLIM:2017:9203

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 september 2017
Publicatiedatum
21 september 2017
Zaaknummer
04 6023299/CV 17-4691
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering incassokosten na ontbinding overeenkomst wegens onbetaalde factuur

De eiser, een incassobedrijf, vordert betaling van incassokosten van de gedaagde, die een vordering had uitstaan op een derde partij. De gedaagde schakelde het incassobedrijf in voor incasso, maar betaalde de factuur van het incassobedrijf niet. Het incassobedrijf ontbond daarop de overeenkomst en vorderde betaling van de openstaande kosten.

De gedaagde stelde zich aanvankelijk op het standpunt dat er een no cure no pay afspraak was gemaakt, maar kon dit niet aantonen en trok dit verweer later in. De rechtbank oordeelde dat de vordering van het incassobedrijf niet was weersproken en daarom toewijsbaar was. De gevorderde handelsrente werd afgewezen omdat geen handelsovereenkomst was vastgesteld, maar de wettelijke rente werd toegewezen.

De rechtbank veroordeelde de gedaagde tot betaling van het bedrag van € 99,07, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 mei 2017, en tot betaling van de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van incassokosten en wettelijke rente, met proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 6023299 \ CV EXPL 17-4691
Vonnis van de kantonrechter van 20 september 2017
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INVORDERINGSBEDRIJF B.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
eisende partij,
gemachtigde mr. M. Leung,
tegen:
[gedaagde partij],
wonend [adres gedaagde partij] ,
[woonplaats gedaagde partij] ,
gedaagde partij,
procederende in persoon.
Partijen worden verder in dit vonnis aangeduid als IVB en [gedaagde partij] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de conclusie van antwoord
  • de conclusie van repliek
  • de conclusie van dupliek
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde partij] heeft aan IVB een opdracht tot incasso verstrekt. [gedaagde partij] had in verband met de verkoop van goederen een vordering op mevrouw [X] , bestaande uit een bedrag van € 400,00. Deze vordering bleef onbetaald en [gedaagde partij] heeft daarop IVB ingeschakeld.
2.2.
[gedaagde partij] heeft aan IVB opdracht gegeven voor het uitbrengen van een dagvaarding, waarvoor IVB heeft gefactureerd. [gedaagde partij] heeft de nota onbetaald gelaten. IVB heeft daarop de overeenkomst ontbonden.
2.3.
Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden van IVB van toepassing.

3.Het geschil

3.1.
IVB vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van een bedrag van € 99,07, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter overweegt als volgt.
4.2.
[gedaagde partij] beroept zich aanvankelijk in deze procedure op een met IVB gemaakte
no cure no payafspraak. IVB betwist het bestaan van een dergelijke afspraak en verwijst in dat verband bij repliek naar artikel 20.1 van haar Algemene Voorwaarden. Daarin is bepaald
dat het gerechtelijke executietraject altijd geheel voor rekening en risico van cliënt is en dat de werkwijze van No Cure No Pay niet tijdens dit traject geldt.
4.3.
[gedaagde partij] beroept zich vervolgens bij dupliek niet langer op de no cure no pay afspraak. Nu [gedaagde partij] voor het overige de vordering van IVB niet heeft betwist komt deze als niet weersproken tussen partijen vast te staan. Dat betekent dat de vordering aan IVB moet worden toegewezen, met inachtneming van het navolgende.
4.4.
IVB vordert betaling van de hoofdsom vermeerderd met wettelijke handelsrente. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van art. 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro worden toegewezen.
4.5.
De kantonrechter acht geen termen aanwezig [gedaagde partij] toe te laten tot nadere bewijslevering.
4.6.
[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van IVB worden begroot op:
  • dagvaarding € 98,91
  • griffierecht 117,00
  • salaris gemachtigde
totaal € 275,91
4.7.
De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan IVB te betalen een bedrag van € 99,07, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2017 tot aan de voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten aan de zijde van IVB gevallen en tot op heden begroot op € 275,91,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken.
type: ph
coll: