De rechtbank Limburg behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk in brand steken van pallets en strobalen, waarbij gemeen gevaar voor omliggende goederen ontstond. De officier van justitie en de verdediging vorderden beiden vrijspraak vanwege het ontbreken van voldoende bewijs.
De enige directe koppeling van verdachte aan de brandstichtingen was de verklaring van een medeverdachte, die echter onvoldoende concreet en deels gebaseerd was op doorvertelde informatie. Deze verklaring werd niet ondersteund door andere onafhankelijke bewijsmiddelen zoals getuigenverklaringen of telecommunicatieonderzoeken, die bovendien kritisch werden beoordeeld door een NFI-deskundige.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs niet voldeed aan het vereiste bewijsminimum en sprak verdachte daarom integraal vrij. De schadevorderingen van de benadeelde partijen werden als niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partijen tevens in de kosten van verdachte.