Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
excited delirium syndrome. Daarom kan niet bewezen worden dat de verdachte opzet of schuld had ten tijde van de verweten gedragingen.
singelen niet, zoals tenlastegelegd, op de Kennedy
brug. Subsidiair, alsmede voor het ongeval met de auto van Stichting Het Limburgs Landschap, refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
feitelijkaanmerkelijke kans dat het kwalijke gevolg zal intreden, in dit geval de dood van of zwaar lichamelijk letsel bij beide politieagenten. Daarbij mag de aard van het risico en het gevaarzettende karakter van de gedraging geen indicator vormen. Dat laatste is een zeer belangrijke kanttekening.
xcited delirium syndrome. Daarom kan het vereiste opzet op of schuld aan de strafbare feiten niet bewezen worden en zou vrijspraak moeten volgen. Ook de deskundige Corstens heeft ter terechtzitting verklaard dat er geen sprake kan zijn van opzettelijk handelen door de verdachte vanwege zijn psychische toestand.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
excited delirium syndrome, met als symptomen opwinding, buitengewone agressie, agitatie, drangmatig gedrag, verwardheid, aandachtstoornissen, desoriëntatie, decorumverlies, veranderd normbesef, problemen met de communicatie en achterdocht. Na anderhalve dag werd verdachte adequaat behandeld en de daarop volgende dag was hij volledig hersteld. Verdachte had retrograde amnesie, wat volgens Corstens gebruikelijk is bij een delier. Het omschreven beeld ontstaat vaak acuut en heeft een wisselend verloop. Ter terechtzitting heeft Corstens toegelicht dat dit wisselende verloop verklaart dat de verdachte wel nog bepaalde gedragingen en waarnemingen heeft geregistreerd, zoals uit zijn verhoor blijkt en uit het gegeven dat hij in eerste instantie wel gehoor heeft gegeven aan het volgteken van de politie. Het
excited delirium syndromeis een ernstige gedragsontregeling, waarbij de verdachte niet meer wilsbekwaam was en niet meer in staat was zijn gedrag te sturen.
culpa in causaoftewel: eigen schuld aan de oorzaak.
concretestoornis en de als de gevolg daarvan gepleegde strafbare feiten niet hoeft te kunnen voorzien of te hebben aanvaard om hem toch toerekeningsvatbaar te achten op grond van de culpa in causa-leer. Aan het geldende verwijtbaarheidscriterium lijkt dus al te zijn voldaan wanneer de verdachte vrijwillig en bewust drugs gebruikt en hem bekend is dat die verdovende middelen effect hebben op de psychische toestand van de gebruiker.
6.De straf
7.De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde onder feit 1 meer subsidiair, feit 2 en feit 3 tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag;
- ontzegt de verdachte voor het bewezenverklaarde onder feit 1 meer subsidiair de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de ontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop deze bijkomende straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering wordt gebracht;
- wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1] , van € 250,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door vijf dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 27 mei 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 27 mei 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 2] , van € 250,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door vijf dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 27 mei 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;
- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij, Stichting Het Limburgs Landschap, gevestigd te Maastricht, niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.