ECLI:NL:RBLIM:2018:10374

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 november 2018
Publicatiedatum
1 november 2018
Zaaknummer
AWB-18_2200en18_2199
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 2:3 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep en afwijzing voorlopige voorziening bomenkap recreatiepark De Stille Wille

Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas om handhavend op te treden tegen het bouwen van recreatiewoningen en tegen bomenkap op recreatiepark De Stille Wille. Het college stuurde het handhavingsverzoek bomenkap door aan de provincie Limburg, die het verzoek op 28 september 2018 ontving.

Eiser stelde op 19 september 2018 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek bomenkap en verzocht tegelijk om een voorlopige voorziening om de bomenkap en bouw stil te leggen. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek tot handhaving van de bouw niet-ontvankelijk was wegens gebrek aan materiële connexiteit en dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek bomenkap niet ontvankelijk was omdat de termijn voor besluitvorming nog niet was verstreken.

De rechtbank overwoog dat het college van burgemeester en wethouders het verzoek niet onverwijld had doorgezonden, maar dat dit geen invloed had op de ontvankelijkheid van het beroep. Omdat het beroep niet ontvankelijk was, was er geen grond voor een voorlopige voorziening, die daarom werd afgewezen. Ook het verzoek tot voorlopige voorziening voor de bouw werd niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en wees het verzoek tot voorlopige voorziening af. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter Derks op 1 november 2018 in Roermond.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 18/2199 en AWB 18/2200
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 november 2018 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[Naam], te [plaatsnaam], eiser
(gemachtigden: mr. M. Peeters en mr. R. Obers),
en
het college van Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder
(gemachtigde: mr. I.M.P.P. Brassé).
Procesverloop
Eiser heeft bij schrijven van 18 september 2018, bij de rechtbank ingekomen op 19 september 2018, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om handhavend op te treden tegen de bomenkap op recreatiepark De Stille Wille te Meijel.
Bij schrijven van 19 september 2018, bij de rechtbank ingekomen op 19 september 2018, heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van drs. J.G. Willems, toezichthouder bij de Provincie Limburg.
Overwegingen
1. Bij brief van 12 juli 2018 heeft eiser aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas verzocht (preventief) handhavend op te treden tegen het bouwen van recreatiewoningen op recreatiepark De Stille Wille. Bij brief van 4 september 2018 heeft eiser het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas verzocht handhavend op te treden tegen de bomenkap op recreatiepark De Stille Wille.
2. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas heeft het handhavingsverzoek ten aanzien van de bomenkap doorgezonden aan verweerder. Het verzoek is op 28 september 2018 door verweerder ontvangen.
3. Eiser heeft op 19 september 2018 beroep ingesteld en op dezelfde datum aan de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt primair een voorlopige voorziening te treffen waarbij het kappen van bomen en het bouwen van recreatiewoningen wordt stilgelegd en subsidiair een andere passende voorziening te treffen.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet alleen ziet op het handhavingsverzoek ten aanzien van de bomenkap, maar ook op het handhavingsverzoek ten aanzien van het bouwen van recreatiewoningen. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat het beroepschrift weliswaar melding maakt van het handhavingsverzoek ten aanzien van het bouwen van recreatiewoningen, maar dat eiser de daarin gestelde overschrijding van de beslistermijn slechts relateert aan het handhavingsverzoek ten aanzien van de bomenkap. Dit betekent dat geen hoofdzaak loopt tegen het in het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening vermelde niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek ten aanzien van het bouwen van recreatiewoningen. Daarom ontbreekt de voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van laatstgenoemd handhavingsverzoek noodzakelijke materiële connexiteit. Dat eiser, naar hij ter zitting stelde, in zijn beleving het bouwen van de recreatiewoningen en het kappen van bomen als één project beschouwt, leidt niet tot een ander oordeel, nu het verschillende activiteiten betreft met eigen beoordelingskaders en afzonderlijke verantwoordelijke bestuursorganen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het niet tijdig beslissen op dat handhavingsverzoek dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5. Wat betreft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek ten aanzien van de bomenkap is de voorzieningenrechter van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

6.Ten aanzien van het beroep overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

7. Op grond van artikel 6:12 van Pro de Awb, voor zover hier van belang, kan tegen het niet tijdig nemen van een besluit een beroepschrift worden ingediend zodra (a) het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en (b) twee weken verstreken zijn na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
8. Onbetwist is dat verweerder het verzoek om handhavend op te treden tegen de bomenkap op 28 september 2018 heeft ontvangen. Dit betekent dat ten tijde van het indienen van het beroepschrift, op 19 september 2018, nog geen sprake kon zijn van een overschrijding van de termijn waarbinnen verweerder op dat verzoek diende te beslissen. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit en dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor zover is aangevoerd dat het evident was dat verweerder het bevoegde orgaan was om op het handhavingsverzoek ten aanzien van de bomenkap te beslissen en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas het verzoek, in strijd met artikel 2:3 van Pro de Awb, niet onverwijld hebben doorgezonden, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Uit de wetsgeschiedenis van laatstgenoemde bepaling blijkt dat de datum van ontvangst door verweerder als bevoegd orgaan bepalend is. Dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas het verzoek tot handhaving niet onverwijld heeft doorgezonden is in deze procedure geen omstandigheid die het bepaalde in artikel 6:12 van Pro de Awb opzij kan zetten.
9. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, is er geen grond meer om een voorlopige voorziening te treffen en zal dit verzoek worden afgewezen.
10. Voor zover is betoogd dat ook het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas voor de zitting had moeten worden uitgenodigd, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Uit de inhoud van de gedingstukken was niet af te leiden dat er een bomenkap in de onmiddellijke nabijheid van het perceel van eiser plaats vond of zou vinden. Eerst ter zitting is gebleken dat er bomen zijn gekapt in de nabijheid van eisers perceel waarvoor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas mogelijk bevoegd bestuursorgaan is of was. Eerder had de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten om het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas in de gelegenheid te stellen aan de procedure deel te nemen. Gelet op de stelling dat reeds gekapt is, ziet de voorzieningenrechter daar ook na de zitting geen reden meer voor.

11.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het bouwen van recreatiewoningen op recreatiepark De Stille Wille niet- ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek ten aanzien van de bomenkap op recreatiepark De Stille Wille niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de bomenkap op recreatiepark De Stille Wille af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier
.
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 1 november 2081
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.