ECLI:NL:RBLIM:2018:10687

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 november 2018
Publicatiedatum
14 november 2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1073
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:10 Apv VenloArt. 4:11 Apv VenloArt. 4:11a Apv Venlo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen besluit geen vergunning nodig voor kappen eik buiten waardevolle houtwal

Eiser maakte bezwaar tegen een vergunning voor het kappen van een eik en het opschonen van een houtwal. Het college van burgemeester en wethouders van Venlo herroept het primaire besluit en stelt dat voor het kappen van de eik geen vergunning vereist is.

De eik staat aan het einde van een houtwal die als waardevol is geregistreerd, maar de boom zelf valt net buiten de contour van de waardevolle houtopstand op de bomenkaart. Eiser betoogt dat de boom wel vergunningplichtig is omdat hij deel uitmaakt van de houtwal of zelfstandig als waardevol moet worden aangemerkt. Ook voert eiser aan dat het kassencomplex van derde-partij te dicht bij de boom is gebouwd in strijd met eerdere toezeggingen.

De rechtbank oordeelt dat de eik juridisch geen deel uitmaakt van de waardevolle houtwal omdat deze buiten de contour op de bomenkaart valt en niet als waardevolle boom is geregistreerd. De stelling van eiser over de bouw van het kassencomplex leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank kan ook niet oordelen over de handhaving van de landschappelijke inpassing, omdat hierover een aparte procedure loopt.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit dat voor het kappen van de eik geen vergunning nodig is, wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/1073

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2018 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.J.M. Michels)
Als derde-partij (belanghebbende) heeft aan het geding deelgenomen:
[derde belanghebbende], te Venlo
(gemachtigde: mr. J.L. Stoop).

Procesverloop

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de van rechtswege aan belanghebbende verleende (omgevings)vergunning van 2 januari 2018 (het primaire besluit) voor het kappen van een (zomer)eik en het opschonen van een houtwal aan de [adres].
Bij besluit van 4 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat voor het kappen van de eik en het opschonen van de houtwal geen vergunning noodzakelijk is.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2018. Eiser is verschenen. Verweerder en belanghebbende hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De eik waarop het beroep betrekking heeft staat op het einde van een houtwal, gelegen aan de [adres]. In deze houtwal bevinden zich meerdere bomen. De eik is de laatste boom van die houtwal en staat op korte afstand van het kassencomplex van derde-partij. Het beroep richt zich uitsluitend tegen het kappen van de eik en verweerders vaststelling dat hiervoor geen vergunning nodig is. Tussen partijen is niet in geschil dat de houtwal als waardevol is opgenomen in het bomenregister.
2. Hetgeen verzoeker in beroep naar voren heeft gebracht komt erop neer dat het kappen van de boom in kwestie niet vergunningvrij is nu deze deel uitmaakt van de als waardevol aangemerkte houtwal, althans dat dit de bedoeling was, en de boom om die reden als waardevol is aan te merken. Mocht dat niet het geval zijn, dan dient de boom alsnog zelfstandig als waardevol te worden aangemerkt, aldus de strekking van eisers betoog. Eiser voert onder meer nog aan dat derde-partij willens en wetens en in strijd met eerdere toezeggingen de kassen zo dicht bij de waardevolle eik heeft gebouwd en dat hij zijn verplichtingen om het kassencomplex landschappelijk in te passen niet nakomt.
3. De rechtbank overweegt als volgt.
4. Op grond van artikel 4:11a, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Venlo (Apv) is het verboden een beschermde boom of houtopstand te kappen of te doen kappen. Op grond van het tweede lid kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod (kapvergunning).
Op grond van artikel 4:10, eerste lid, onder a, van de Apv wordt onder “beschermde houtopstand” verstaan: een monumentale of waardevolle boom of een waardevolle houtopstand.
In artikel 4:11 van Pro de Apv is bepaald dat het college een register waardevolle bomen en houtopstanden vaststelt. Onderdeel van dit register is een bomenkaart (visualisatie), waarop de waardevolle bomen en waardevolle houtopstanden zijn aangegeven.
5. De rechtbank stelt aan de hand van de voorhanden gedingstukken vast dat de onderhavige eik (net) buiten de, op de bij het bomenregister behorende kaart aangegeven, contour voor de waardevolle houtopstand valt. Op de plaats waar de boom zich bevindt is op de kaart ook geen aparte aanduiding voor een waardevolle boom aangebracht. Dit betekent dat de eik niet in het bomenregister van de gemeente is opgenomen en dat voor het kappen van de eik derhalve geen kapvergunning is vereist. Het feit dat de eik, als laatste boom van de houtwal, visueel wel deel lijkt uit te maken van de (beschermde) houtwal, doet hier niet aan af, nu slechts van belang is dat de boom, omdat hij buiten de contour van de waardevolle houtopstand op de bomenkaart valt, hier in juridische zin géén deel van uitmaakt. Ook eisers stelling dat derde-partij de kassen willens en wetens dicht bij de boom gebouwd heeft en dat hij toezeggingen daarover niet is nagekomen kan, wat daar overigens van zij, niet tot en ander oordeel leiden,
6. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. De rechtbank voegt daaraan toe dat de vraag of verweerder de boom ten onrechte niet als waardevolle boom in het bomenregister heeft willen opnemen buiten de grenzen van dit geding valt. Die weigering betreft een afzonderlijk besluit. Tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen dat besluit is, naar verweerders gemachtigde ter zitting heeft verklaard, geen beroep ingesteld, zodat dit in rechte vaststaat. Evenmin kan de rechtbank in dit geding oordelen over de handhaving van de voorschriften betreffende de landschappelijke inpassing van het kassencomplex van derde-partij. Daarover loopt inmiddels een afzonderlijke beroepszaak bij de rechtbank.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier
.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 16 november 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.