ECLI:NL:RBLIM:2018:10850

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 november 2018
Publicatiedatum
20 november 2018
Zaaknummer
03/720213-17 OWVV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 36e Sr
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplichtigheid hennepteelt en diefstal elektriciteit

De rechtbank Limburg behandelde op 20 november 2018 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte, die medeplichtig werd bevonden aan hennepteelt en diefstal van elektriciteit in de periode van 1 december 2016 tot en met 25 januari 2017.

De officier van justitie stelde aanvankelijk een bedrag van €189.428,06 vast, maar wijzigde dit tijdens de terechtzitting tot €1.750,00, gebaseerd op huurbetalingen van €250 per maand voor de loods die verdachte ter beschikking stelde voor de hennepkwekerij. De verdediging voerde aan dat de loods pas vanaf augustus 2016 werd verhuurd en dat de huurbetalingen een legale tegenprestatie vormden, zonder dat verdachte kennis had van de hennepkwekerij.

De rechtbank overwoog dat verdachte vier huurtermijnen had ontvangen tot en met november 2016, maar dat er geen aanwijzingen waren dat hij na die datum nog huur ontving. Omdat niet aannemelijk was dat verdachte voordeel had genoten in de bewezenverklaarde periode, wees de rechtbank de vordering tot ontneming af.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg, bestaande uit drie rechters, en betrof een strafzaak waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan het overtreden van de Opiumwet en diefstal.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens gebrek aan bewijs van voordeel na november 2016.

Uitspraak

RECHTbANK Limburg

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03/720213-17 OWVV
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 20 november 2018 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens verdachte] ,
wonende te [adresgegevens verdachte] ,
hierna te noemen: [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door mr. A.M.A. Kok-Verheijde, advocaat, kantoorhoudende te Tegelen.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 november 2018. [verdachte] en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03/720213-17. Op 20 november 2018 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.

2.De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag aanvankelijk geschat op € 189.428,06.
Op de terechtzitting van 6 november 2018 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat het geschatte voordeel € 1.750,00 bedraagt.

3.De beoordeling

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat hij uitgaat van een pleegperiode van zeven maanden (juli 2016 tot en met januari 2017). Volgens hem is niet aannemelijk geworden dat [verdachte] de gehele opbrengst van de hennepkwekerij heeft ontvangen. Wel heeft [verdachte] wederrechtelijk voordeel genoten in de vorm van maandelijkse huur ad € 250,00 voor het – ten behoeve van de hennepkwekerij – ter beschikking stellen van een gedeelte van zijn loods, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 1.750,00.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de loods pas is verhuurd door [verdachte] in augustus 2016. Hij heeft hiervoor tweemaal een bedrag ontvangen van € 500,00. Doordat [verdachte] een tegenprestatie voor dat bedrag heeft geleverd, namelijk het ter beschikking stellen van het gehuurde, is er geen sprake van enig wederrechtelijk verkregen voordeel. [verdachte] had geen wetenschap van de hennepkwekerij in zijn loods, waardoor het innen van de huursom moet worden gezien als een legale betaling voor het gebruikmaken van een deel van de loods. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel maximaal € 1.000,00 bedraagt.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij voormeld vonnis d.d. 20 november 2018 is [verdachte] veroordeeld wegens:
feit 1 subsidiair:medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 1 december 2016 tot en met 25 januari 2017;
feit 2 subsidiair:medeplichtigheid aan diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, gepleegd in de periode van 1 december 2016 tot en met 25 januari 2017.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en/of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan.
De rechtbank overweegt dat [verdachte] medeplichtig is geweest aan genoemde strafbare feiten vanaf 1 december 2016. Volgens de verklaring van [verdachte] heeft hij vier huurtermijnen ontvangen van elk groot € 250,00, die betrekking hebben op de maanden augustus, september, oktober en november 2016. Vanaf december 2016 heeft hij geen betalingen meer ontvangen van de huurder. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het strafdossier geen aanknopingspunten voor het tegendeel. Nu niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] enig voordeel heeft genoten in de bewezenverklaarde periode, zal de rechtbank voormelde vordering van de officier van justitie afwijzen.

4.De beslissing

De rechtbank:
-
wijst afde vordering van de officier van justitie ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze uitspraak is gegeven door mr. C.M. Nollen, voorzitter, mr. L. Feuth en mr. V.E.J. Noelmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Dijkhoff, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 november 2018.