Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding van 31 oktober 2018 met producties 1 en 2,
- de brief van [eiseres] met productie 3,
- de brief van [gedaagde] één productie,
- de mondelinge behandeling op 26 november 2018.
Rechtbank Limburg
Partijen huurden gezamenlijk een woning die zij samen bewoonden. Na beëindiging van hun affectieve relatie bleef de gedaagde in de woning wonen, terwijl eiseres tijdelijk bij haar ouders verbleef met hun minderjarige zoon. Eiseres vorderde in kort geding dat zij met uitsluiting van gedaagde de woning mocht blijven gebruiken, met verwijzing naar artikel 7:267 lid 7 BW Pro.
De kantonrechter overwoog dat het belang van eiseres om de woning te verkrijgen niet zwaarder weegt dan dat van gedaagde om er te blijven wonen. Het verblijf van de minderjarige bij beide ouders is ongeveer gelijk verdeeld, en de situatie bij de ouders van eiseres is ongemakkelijk maar niet onhoudbaar. Er is geen zodanig spoedeisend belang dat eiseres de beslissing in de bodemprocedure niet kan afwachten.
Ook werd meegewogen dat eiseres geen zekerheid heeft dat zij de huur alleen kan dragen en dat gedaagde voldoende financiële waarborg biedt. De investeringen in de woning door beide partijen wegen voorshands niet in het voordeel van eiseres. De kantonrechter concludeerde dat de vorderingen niet toewijsbaar zijn en dat de proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst met uitsluiting van de medehuurder wordt afgewezen.