Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.DE NEDERLANDSE PROVINCIE VAN HET RELIGIEUS INSTITUUT
1.De procedure
- het verzoekschrift
- de mondelinge behandeling op 21 november 2018, waarbij is verschenen:
Rechtbank Limburg
Verzoeker heeft een procedure aanhangig gemaakt tegen de Congregatie van de Heilige Geest wegens seksueel misbruik op een internaat in 1960-1961. Hij verzoekt een voorlopig getuigenverhoor om verklaringen te verkrijgen van mede-slachtoffers en zichzelf, mede met het oog op toekomstige procedures.
De rechtbank overweegt dat een voorlopig getuigenverhoor in beginsel dient te worden toegestaan als het verzoek concreet en ter zake dienend is, en het bewijs kan bijdragen aan de hoofdprocedure. In dit geval is de hoofdprocedure in een vergevorderd stadium met een datum voor pleidooi vastgesteld.
De rechtbank acht het verzoek niet dienstig omdat het debat zijn eindfase heeft bereikt en het verzoek vooral gericht is op bewijs voor toekomstige procedures, niet op de lopende zaak. Er is geen concreet gevaar dat bewijs verloren gaat, ook al zijn de getuigen op leeftijd. Het verzoek zou de procedure onnodig vertragen en is daarom strijdig met de goede procesorde.
De rechtbank wijst het verzoek af en veroordeelt verzoeker in de proceskosten, die nihil worden begroot aan de zijde van de verweersters.
Uitkomst: Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen wegens strijd met de goede procesorde.