De kantonrechter heeft bij beschikking van 28 november 2018 het beschermingsbewind opgeheven dat sinds 1 mei 2012 over de goederen van de betrokkene was ingesteld vanwege diens lichamelijke of geestelijke toestand. De betrokkene had verzocht om opheffing omdat hij inmiddels schuldenvrij is, een vaste baan heeft met een inkomen boven het minimumloon en zijn situatie aanzienlijk is verbeterd.
De bewindvoerder was weliswaar akkoord met het verzoek, maar vond opheffing onverantwoord vanwege de wisselende en krappe financiële situatie van de betrokkene en het ontstaan van nieuwe schulden. De kantonrechter overwoog dat de oorspronkelijke reden voor het bewind, namelijk de geestelijke toestand en de schulden die waren ontstaan na het stoppen met werken vanwege de zorg voor jonge kinderen, in voldoende mate is komen te vervallen.
Omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren gesteld die voortzetting van het bewind rechtvaardigen, werd het bewind opgeheven met ingang van 1 december 2018. Tevens werd de bewindvoerder verplicht binnen twee maanden na het einde van het bewind eindrekening en -verantwoording af te leggen, waarbij de beloning voor het opmaken van deze rekening werd vastgesteld conform de geldende regeling.