De rechtbank Limburg behandelde het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind dat sinds 2009 over haar goederen was ingesteld vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand. De rechthebbende stelde dat zij psychisch stabiel is, geen drugs meer gebruikt, haar woning netjes houdt en zelf haar financiën wil beheren zonder bewindvoerder. Zij had geen vertrouwen meer in de bewindvoerder en wilde niet meer met hem samenwerken.
De bewindvoerder stelde dat het bewind noodzakelijk bleef omdat de psychische problematiek nog aanwezig is en de rechthebbende impulsief handelt, waardoor zij haar vaste lasten niet tijdig betaalt. De kantonrechter oordeelde dat de rechthebbende onvoldoende had aangetoond dat haar situatie zodanig verbeterd was dat het bewind opgeheven kon worden, bijvoorbeeld door het ontbreken van een medische verklaring.
Desondanks achtte de kantonrechter voortzetting van het bewind niet zinvol omdat de samenwerking tussen bewindvoerder en rechthebbende volledig was verbroken en geen verbetering te verwachten viel. Daarom werd het subsidiaire verzoek tot opheffing van het bewind toegewezen, met ingang van 1 december 2018. Tevens werd bepaald dat de bewindvoerder binnen twee maanden na het einde van het bewind een eindrekening en verantwoording moet opmaken en indienen, met vaststelling van de beloning conform de geldende regeling.