In deze civiele zaak over erfrecht heeft de rechtbank Limburg op 5 december 2018 geoordeeld dat zij terugkomt op een eerdere bindende eindbeslissing uit een tussenvonnis van mei 2017. In dat tussenvonnis was bepaald dat een schuld van een erfgenaam aan de nalatenschap die zijn erfdeel overschrijdt, niet in de verdeling van de nalatenschap kan worden betrokken. De rechtbank stelt nu dat deze overweging berust op een onjuiste juridische grondslag.
De rechtbank overweegt dat indien een erfgenaam meer schuldig is aan de nalatenschap dan zijn erfdeel, de nalatenschap een vordering heeft op die erfgenaam die wel kan worden verdeeld onder de erfgenamen. Dit betekent dat het surplus van de schuld als vordering van de nalatenschap moet worden toegerekend en verdeeld naar rato van de erfdeelverdeling.
De rechtbank heeft partijen de gelegenheid gegeven zich uit te laten over deze terugkomst op de bindende eindbeslissing. Tevens is [gedaagde sub 1] toegestaan bewijs te leveren dat de door hem verrichte transacties ten behoeve van zijn ouders passen binnen het uitgavenpatroon van vóór het moment waarop zijn ouders niet meer in staat waren hun financiële belangen behoorlijk waar te nemen. Diverse getuigenverklaringen over de geestelijke toestand van de ouders zijn overwogen, waarbij de rechtbank meer waarde hecht aan indicatiebesluiten en medische rapporten dan aan familiegetuigenissen.
De zaak wordt voortgezet met bewijslevering en getuigenverhoren gepland in het eerste kwartaal van 2019, waarna verdere beslissingen zullen volgen.