Uitspraak
Rechtbank Limburg
1.Het verloop van de procedure
2.De vaststellingen en overwegingen
3.3. De beslissing
de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
Rechtbank Limburg
De vrouw verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen die de man verplicht om partneralimentatie van €238,64 per maand te blijven betalen vanaf 31 maart 2018, ondanks dat in het echtscheidingsconvenant was overeengekomen dat de alimentatie zou eindigen bij pensionering van de man op die datum.
De rechtbank stelde vast dat aan de procedurele voorwaarden voor een voorlopige voorziening was voldaan, maar dat de vrouw onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een financiële noodtoestand die onmiddellijke voorziening rechtvaardigt. De vrouw ontbrak het inzicht in haar financiële situatie en had niet aangetoond dat zij niet kon wachten op de bodemprocedure.
De man stelde onweersproken dat de vrouw met haar AOW-uitkering haar huwelijksgerelateerde behoefte kan dekken. De rechtbank oordeelde dat het verzoek om een voorlopige voorziening daarom niet kon worden toegewezen en wees het af.
De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen drie maanden na uitspraak, uitsluitend via een advocaat.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tot voortzetting van partneralimentatie is afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.